Vrienden

Zo’n vrijdag heb ik nog nooit meegemaakt, denkt Mat. Hij kijkt peinzend naar de fonkelnieuwe espressomachine op het koffiebarretje in Mats Foonshop. Hij kijkt ook peinzend naar de grote, dikke Bor, met zijn lange rode haar en woeste rode baard, die terugkijkt en z’n ogen vriendelijk dichtknijpt.

“Vrienden” verder lezen

Passant

Hoe we straalden als we elkaar zagen 
giechelden om alles, huilden 
als vriendjes ons dumpten, door de
slappe lach van de bank gleden

Wanneer wilden we niet meer dezelfde 
lippenstift, sijpelde twijfel in stiltes, werden 
omhelzingen onhandig deelden we verdriet niet meer?
Vergaten we verjaardagen, wurmden 
leugentjes zich in waarheden glipten 
schimpscheuten tussen woorden?

Mijn ogen herkennen dierbare 
contouren voor me in de rij mijn 
hart danst mijn mond roept je naam 
je ogen worden groot 
je loopt weg
lang kijk ik je na

Bel

Ik heb een vriend. Hij doet de deur niet open als ik bel.
Gelukkig heb ik dan mijn telefoon.
Ik heb de bel niet gehoord, zegt hij dan
en doet alsnog de deur open.

Ik heb een vriend. Ik doe de deur niet open als hij belt.
Dan grijpt hij naar zijn telefoon.
Ik heb de bel niet gehoord, zeg ik
als ik de deur voor hem opendoe.

Vanavond dacht ik plots: waar is mijn vriend?
Het is tijd voor een goed gesprek.
En toen hoorde ik de bel.

Niemand. Niemand was er.
Als ik nu naar hem toega en bel,
zou hij dan opendoen?