De fietstunnel

Hollen moest hij, hollen in de avond. Vijf dagen per week was hij overdag paraat voor de winst. De winst van het bedrijf waar hij werkte.

Donkere avonden in de wintermaanden. Het had ook zo zijn voordelen. Rennend in het donker door de weilanden waren zijn zintuigen extra scherp. Rennen was goed voor zijn ietwat onrustige kloppende hart, zo zei de dokter. Dus daar ging hij weer.

Het gras rook dieper in het duister en de vleugelslagen van een enorme onbekende vogel vibreerde merkwaardig vaak geluidloos voorbij. Het wanhopig geritsel van muisjes langs de kant op zoek naar iets te nassen. Scherp, vol en met focus voltrok zich de nacht aan hem via zijn neus en oren. Een beweging net half buiten zijn ooghoek.  Alsof, al rennend, een andere dimensie zich in zijn lijf open zette of op zijn minst aan zijn zintuigen klopte.

Fijn wel, maar tijdens zijn eenzame nachtruns speelden ook zijn aloude kinderangsten op. Onbenoembare geluiden, een rare flits, een nieuwe onverklaarbare geur.  “De fietstunnel” verder lezen

Meten of niet meer willen weten?

Het broodmagere ventje had zwemmen geprobeerd en een halfslachtige poging tot tafeltennissen gedaan. Beide kansloos. Op zijn 15e was hij begonnen met hardlopen. Nou ja, eerst atletiek, maar het hordelopen, polsstokhoogspringen en discuswerpen ging hem beduidend minder goed af dan lekker hardlopen, hoe verder hoe beter. Eindelijk een sport waarbij zijn schrille lichaam hem hielp. “Meten of niet meer willen weten?” verder lezen