Luisa

Gisteren begroeven we haar buurjongetje. Hij heeft maar zes maanden geleefd. Soms weet je gewoon niet wat beter is: leven of doodgaan. Zijn moeder heeft Down-syndroom en is een jaar of 15. De buurt denkt dat ze werd verkracht. Zijn adoptieouders hebben een groot hart, maar geen geld. Geen gezonde babyvoeding dus voor Manuel. Ook geen medicijnen. Wel een mooi kistje; dat was dankzij alle buren, die hebben geld ingezameld. Wij hebben nog een bosje witte chrysanten gekocht op de markt. Die staan nu op zijn grafje. “Luisa” verder lezen

Hebt u mijn man gezien?

Nee, toch niet die stropdas? Met een van afschuw vertrokken gezicht keek Els naar het oranje geval dat haar man zorgvuldig om zijn hals knoopte. Een dubbele Windsor zoals alleen hij dat kon. Toch bekroop haar ook een gevoel van trots. Wat hadden ze veel bereikt. Toen ze Anton leerde kennen, studeerde hij nog, theologie. Snel na zijn afstuderen werd Anton beroepen door een kerkgemeente in klein dorpje. Ze woonden in een mooi huis en hadden daar hun kinderen gekregen. Hoewel het dorp niet groot was, waren er drie kerken en twee huisartsenpraktijken. Hij, de voorgangers van de andere kerken, de huisartsen en een notaris die net buiten het dorp woonde, waren de enigen die gestudeerd hadden. Automatisch waren ze naar elkaar toegetrokken. Als ‘de notabelen’ van het dorp werden ze regelmatig benaderd om een rol te spelen in een plaatselijke vereniging. “Hebt u mijn man gezien?” verder lezen

Zelfhulp

In dit zelfhulpartikel voor de arbeidende mensch wordt de helpende hand geboden bij liftproblemen. Na het doornemen van dit artikel zullen de liften in uw kantoor, met die meedogenloze door een neonlamp aangelichte spiegel, u geen angst meer inboezemen. “Zelfhulp” verder lezen

Krantencursus

Ik ben geen ochtendmens, maar als ik dan toch ben opgestaan moet ik mijn ochtendkrant. Vorige week ben ik zonder in de trein naar kantoor gestapt. Allesoverheersend chagrijn! In Sloterdijk uitgestapt, krant en een extra sterke cappuccino gekocht, de volgende trein weer ingestapt, door naar mijn eindbestemming – de dag op ‘t nippertje gered. Eerst Arnon Grunberg geconsumeerd en toen, ik wist al dat-ie was overleden, zo’n vier pagina’s over Prince. “Krantencursus” verder lezen

Een mens moet zich kunnen redden in de wereld

Hij is vijftien en zit onderuit gezakt op zijn stoel. Zijn moeder mag niet mee de spreekkamer in. School gaat slechter en er zijn ruzies thuis. Hij wordt gek van het gezeur. Ik mag zijn ouders apart spreken om meer over zijn kindertijd te weten te komen. Hij is enig kind, vader heeft een eigen bedrijf en moeder werkt op de overblijf van school. Hij was altijd makkelijk en er was weinig strijd. Er konden altijd vriendjes komen spelen, want moeder was ’s middags thuis. Ze maken zich nu behoorlijk zorgen. Hij gaat uit school met vrienden mee waar de ouders niet thuis zijn. Met name moeder is bang dat hij in de goot belandt. Zoon zelf heeft geen behoefte aan gesprekken met mij, maar baalt wel van de ruzies. Gesprekken samen met zijn ouders wil hij wel. “Een mens moet zich kunnen redden in de wereld” verder lezen

Productief uitstelgedrag

Acht uur ‘s avonds, ik heb net mijn eten achter de kiezen. Uitgebreid gekookt, volgens het recept van Allerhande, ‘Mediterraans Pannetje’: witte bonen in tomatensaus, aangevuld met chorizo, wat kruiden die nog in mijn voorraadkast lagen en een Marokkaanse roerbakmix. De buurman at gezellig mee. Morgen tentamen. Met zijn goede gedrag biedt de buurman aan om te helpen met de afwas. Ik sluit mijn bluetooth boxje aan op mijn telefoon om naar mijn eerder samengestelde afspeellijst op Spotify te luisteren. Het is half negen. “Productief uitstelgedrag” verder lezen

Het Einstein-schaap

Hij trapte stevig door. Met zijn handschoenen aan was het moeilijk om de versnelling te bedienen. Hij rilde toen de ijzige wind via het kuiltje van zijn nek zich in zijn jas een weg naar binnen baande. Doortrappen maar. Toen hij van huis ging leek het weer nog zo aardig. De vogels vlogen in het zonnetje af en aan om van de pindasnoeren en mezenbollen te eten. Om beurten door merels, eksters en koolmeesjes. Het leek helemaal niet op survival of the fittest. De grote vogels pikten de vetbollen stuk, de kleintjes scharrelden op de grond. Ieder deed waar ie goed in was. En zo deelden ze de lekkernijen en kreeg ieder zijn deel. “Het Einstein-schaap” verder lezen

Naar het Oosten!

“Met z’n allen een poosje een verzorgpony hebben en dat zij hem dan houdt. Zo voelt het toch een beetje”, verzucht Paulette. Marianne legt haar hand over die van haar vriendin, droog en eeltig is hij. Paulette vecht tegen de aandrang haar hand weg te trekken. Marianne. Altijd klaar voor de ander, altijd voorbereid. Voor ze op de fiets springt naar de Albert Heijn zorgt ze dat ze een schone onderbroek aan heeft, want je weet maar nooit of je opeens in het ziekenhuis belandt. “Zij heeft hem dus”, zegt Marianne bijtend op haar onderlip.” Ongelooflijk dat hij nou juist met háár is meegegaan. Het lijkt me geen feest om naar die gele tanden te moeten kijken, net als je aan de lasagne zit. Dat die sukkel van een Henk dáár dan ook nog een foto van maakt en op Facebook zet. En daarbij: “I will never let you go, Achmed heeft rust nodig en meer van dat soort kwatsch.” “Naar het Oosten!” verder lezen

Kleine jongen

Het Nederlandstalige levenslied is niet zo aan me besteed. Ik was te vaak op feesten waar aangeschoten mannen ‘ Ze gelooft in mij’ voor hun vrouw aanhieven in de hoop dat ze die nacht niet op de logeerkamer hoefden te slapen. Er is echter één uitzondering en dat is het liedje ‘Kleine Jongen’ van André Hazes. Ik kan er niet naar luisteren zonder tranen in mijn ogen te krijgen.

“Kleine jongen” verder lezen