De toverformule

‘Vandaag wil ik liefhebben zoals ik nooit heb lief gehad.’ Het is meer een bezwering dan een voornemen. Vanuit zijn bed bekijkt hij het aftandse interieur van de oude stacaravan die hij voor een zacht prikkie heeft kunnen overnemen van een oud-collega. Het aanrecht van de sleetse keuken staat vol met gebruikte mokken, borden en glazen, aan het plafond hangen twee overvolle vliegenvangers en op de grond ligt het stapeltje kleren waaruit hij gisteravond zo zijn bed is ingestapt. Zijn blik glijdt langs het met koffiekleurige vlekken besmeurde laken weer terug naar het beeldscherm.

“De toverformule” verder lezen

Als ik mijn masker afzet

Verscholen achter mijn lach
liggen angsten en verdriet.
Ze knagen de hele dag
maar niemand die ze ziet.

Ontsprongen uit mijn dromen.
Mijn nooit verhoorde gebeden.
Zo blijven ze maar komen:
de nachtmerries van het verleden. 

Alles zou ik willen geven
om te vergeten wat mij heeft genekt.
Het masker van mijn leven
is met de dood bedekt. 

Vakantie

Nog voor de wekker hoorde Dave een vrolijk geneurie uit de andere kamer. Hij hees zichzelf naar een zittende positie. Bij het graaien naar zijn telefoon viel de lege wiskeyfles, die naast zijn bed stond voor noodgevallen, om. Het scherm van zijn telefoon lichtte op en toonde hem het resultaat van een nacht verwoede pogingen om Claire weer terug te krijgen. Met de betrekkelijke helderheid van nu zag hij dat deze actie zijn zaak meer kwaad had gedaan dan goed. Hij typte nog maar eens een berichtje: “Sorry”. Voor nu was dat even voldoende om te laten weten dat het weer zo’n avond was geweest en dat hij dat allemaal niet zo bedoeld had. Hij sloot zijn ogen. Nog een paar minuutjes liggen. Dan ben ik er echt klaar voor. 

“Vakantie” verder lezen

Het rechte pad

Er zit een slag in het linker wiel van de rolstoel die het revalidatiecentrum ons heeft meegegeven. We dreigen steeds van het smalle betonpad af te rijden. De ironie ontgaat me niet. Ik krijg kramp in mijn handen van het tegensturen en stop met duwen.
‘Nu al moe?’ sneert Douwe.
‘We hebben geen haast, toch?’ zeg ik, terwijl ik mijn handen tegen elkaar wrijf. ‘Geniet er maar van dat je eindelijk weer eens buiten bent.’
‘Buiten! We zijn op een kerkhof, goddomme.’
‘Een beetje meer eerbied voor de doden, misschien?’
‘Alsof ze ons kunnen horen,’ zegt Douwe. ‘Hallo! Is daar iemand?’
‘Hou op, man.’
Ik tik hem harder dan bedoeld tegen zijn achterhoofd. Hij valt voorover, maar wordt in de rolstoel gehouden door de veiligheidsriem.
‘Sorry.’ Ik trek mijn vriend weer stevig terug tegen de rugleuning.
Douwe gromt iets onverstaanbaars en pakt mijn hand die op zijn schouder rust. Hij is sterk geworden in zijn handen.
‘Doe dat nog een keer en ik breek je vingers,’ zegt hij toonloos.
Ik trek snel mijn hand weg.
‘Els ligt hier iets verderop, om de hoek,’ zeg ik. ‘Het is een mooie plek.’

“Het rechte pad” verder lezen

Mövenpickpassie

Het vrachtwagentje hobbelt zo dat het sjekkie uit Jan z’n mond valt. ‘Godverrrr…’ Hij vist het van z’n vale spijkerbroek. Het is ook veel te heet om te werken. Het is dat zijn baas in dit soort dagen een dubbele omzet draait, anders zou hij lekker op z’n balkon gaan zitten, met z’n poten in een teiltje koud water.

“Mövenpickpassie” verder lezen

Overlast

Het is stipt zeven uur op zaterdagochtend. De lucht voelt zacht aan, maar op dit uur is de temperatuur nog redelijk koel. Geert zorgt ervoor dat hij zo vroeg mogelijk begint. De richtlijnen van de gemeente stellen dat de stilte uren tussen elf uur ‘s avonds en zeven uur ‘s ochtends moeten worden nageleefd, dus zodra de kerkklok zeven keer luidt staat hij in zijn tuin. 

“Overlast” verder lezen

In geen tijden liefde

De enorme,  metershoge vlinder zag vanaf het dak van de blokhut dat hij het boek weglegde. De ooit veel gelezen Nobelprijs-winnende schrijver met zijn magische realistische stijl had veel woorden nodig gehad voor zijn verhaal. Een mooi verhaal, dat dan weer wel. Over liefde. De vlinder klapperde met zijn vleugels, wind creërend waardoor de samen gebonden, zelf in de moestuin geplukte en nog weg te geven bloemen in de ovaalvormige vaas in de hut begripvol knikten, maar hij had het niet in de gaten. 

“In geen tijden liefde” verder lezen

Achter de heg

Ze had hem verlaten. Voor haar yogaleraar. En daar zat hij dan, op de verjaardag van zijn moeder, zonder haar, naast ome Piet. Ook ome Piet zat alleen. Zijn Ria was dood. Dus in zekere zin was hij ook verlaten, maar dan anders. Na zijn vierde jenevertje begon ome Piet te praten. Niet echt tegen hem, meer een beetje voor zich uit.

“Achter de heg” verder lezen