Hald mich ens vas

Toen ik eenmaal wist waar ‘ons’ liedje werkelijk over ging lukte het me niet meer om met haar te vrijen. We leerden de ballad jaren geleden kennen tijdens een voorjaarsvakantie in Limburg. Het was er koud, zonnig en we vierden er ons eerste verkeringsjaar. Dolverliefd en krap bij kas belandden we in Venlo, meer zat er niet in. We verbleven in een aftands hotel dat het slechte van de jaren ’60 ademde, recht tegenover het station en bevolkt door een horde bezopen en verklede ‘Hollanders’.

“Hald mich ens vas” verder lezen

Naar huis

Janus Klepel

‘Leef, alsof het je laatste dag is.’ Janus Klepel loopt het te neuriën terwijl hij richting de haven loopt. Hij is op weg naar Harry en Monique voor een etentje. Zijn zaken, het beheren van verschillende cafetaria’s, gaat goed dus hij heeft wel een reden om een beetje te zingen. “Naar huis” verder lezen

Eén kopje koffie

Met haar hand zocht ze naast zich en meteen wist ze het weer. ‘Ik ga bij je weg,’ had hij plompverloren gezegd. Notabene tijdens een etentje ter gelegenheid van hun twintigjarig huwelijksjubileum. Hij had al een etage gevonden en ingericht. Een koffer met kleren en wat persoonlijke spullen, ‘ik wil graag de litho’s van de koeien mee’ hadden al klaar gestaan en weg was hij. Ze was zo verrast geweest dat ze niets had gekund, tot diep in de nacht had ze perplex naar de lichte plekken op de muur zitten kijken.

“Eén kopje koffie” verder lezen

Blijven of gaan

Joe Strummer’s rauwe stem beukt in mijn oren. ‘Should I stay or should I go’ raast door mijn piekerende en twijfelende kop terwijl gillende gitaren striemen trekken door mijn ziel. Ik huil en staar uit het raam. 
‘Waarom doe je zo? Het is hier toch goed. Je weet dat je niet terug kan.’ Zijn bruine ogen kijken me gebiedend aan. ‘Je hebt hier toch alles wat je nodig hebt?’
Ik loop naar de deur, duw ertegen. ’Ik mis haar.’

“Blijven of gaan” verder lezen

Lager wal

Ik heb mijn zeilen gestreken in een baai aan de lijzijde van het eiland. Het is de zomerwind die me tot hier heeft gebracht. Dezelfde wind die mij je stem nadraagt. Een wind die nooit aan land zal komen, die geen behoefte heeft aan een anker.
Het strand is bezaaid met schelpen, achteloos neergegooid en weer vergeten door de golven. Roze vleugelhoorns. Gerimpeld van buiten en glad van binnen herinneren ze me aan jou, aan de momenten dat je me nog toestond om me over je gewelfde, natte schoot te buigen. Oneindig ver boven mij kreunde je. Achtergrondmuziek. Als ik nu zo’n schelp aan mijn oor zou zetten, zou het diepe ruisen een echo zijn uit het verleden.

“Lager wal” verder lezen

Ring Ring

Slaperig keek hij op zijn wekker. Zeventien over twee. Vanuit de flat boven hem kwam keiharde muziek. De La Soul. Hij kroop dieper onder zijn dekbed, maar dat bood onvoldoende bescherming. Hij kon de raptekst woord voor woord verstaan.

‘Hey how ya doin’

Sorry ya can’t get through

Why don’t you leave your name and your number

And I’ll get back to you’

“Ring Ring” verder lezen

De partijleider

Geen flits was te veel voor hem en zijn fraai geknipte kapsel. Geen woord dat niet urgent genoeg was om opgevangen te worden door de microfoons der persridders. Een succesvol schaakstuk naar voren geschoven op het bord van het grote politieke spel in de Tweede Kamer. Een meester van het gemakkelijke woord, een genie in de juiste grap, de strategische scherpe opmerking in debatten tijdens de praatshows op het scherm. 

“De partijleider” verder lezen

Twee dozen en twee flessen

Twee dozen wijn en twee flessen champagne: de wekelijkse bestelling. Niet omdat er iets te vieren viel, maar gewoon omdat, je weet wel.

Het was eigenlijk heel per ongeluk begonnen, zoals dat wel vaker gaat met nieuwe gewoontes. Je weet dan nog helemaal niet dat het een gewoonte gaat worden. En als je dat wel zou weten, zou je het dan ook zo doen? Nou in dit geval dus wel. Een goede nieuwe gewoonte dus.

“Twee dozen en twee flessen” verder lezen

Tengerész

Als ik door het heuvelland rijd, de zinderende warmte, de enorme velden met zonnebloemen, de weilanden met paarden, Dombovár binnenrijd en aan de laatste etappe begin, een brok in mijn keel, dan weet ik: bijna thuis. De wegen worden smaller en ik stiller. Afslaan, de spoorbaan over, de weg naar het heilige der heilige. Daar rijd ik het dorp binnen, mijn huis zie ik al van een afstand staan. Thuis. Zestienhonderd kilometer van huis en minstens zo ver terug in mijn bestaan.

“Tengerész” verder lezen