Maandag

Nijlpaard en Konijn zitten dicht tegen elkaar aan in de speelgoeddoos. Nijlpaard met zijn pootjes als stompjes recht vooruit, Konijn met haar vier poten verstopt onder haar lijf. 
‘Het is weer zover hè,’ zegt Konijn en ze zucht diep. 

“Maandag” verder lezen

Niemandsland

De zee heeft zoveel
mooie dingen
van schelpen tot het zand.

Zij zingt schepen
op het water
veilig naar het vasteland.

Haar golven brengen
de schoonste schatten,
die wij jutten op het strand.

En ’s winters,
drijft haar romance,
ons naar een dagje hand in hand.

Maar waar zij schittert
(in zon- en manestralen)
deinen rusteloze rimpels
in Niemandsland.

Herensociëteit

Zijn handen
trokken de aandacht.
Vingers gleden door de krullen
van zijn roodbruine lokken.
Ik wenste de mijne daar.

Zijn lippen
getuit,
au naturel en vochtig,
riepen mij toe hem te proeven.
Het puntje van zijn tong
verleidde mij naderbij te komen,
hem te veroveren.

Zijn ogen
betoverden mij,
met die mossig groene kleur.
Ik waande mij
in bossen, bloemenvelden,
waar hij danste,
zwierde,
op muziek die alleen hij kon horen.

Hij observeerde.
Keek in mijn ogen.
Ik liet hem zien wat ik voelde,
wat ik dacht.
Zijn ogen vernauwden
tot ik nog slechts het zwart
van zijn pupillen zag.

En ik voelde zijn blik
verplaatsen,
tot hij bleef dralen op mijn borst.
Alsof hij door mijn lichaam
in mijn hart kon kijken,
om te zien
wat zich daar roerde.

Het zal hem hebben bekoord,
wat hij zag.
Zijn ogen wijder,
het groen dieper en
om zijn mond een zachte lach.
Met soepele tred kwam hij naar mij toe.

Zijn woorden
gesproken met hese stem,
deden mij hopen.
Niet langer
was daar de sociëteit,
de mannen in hun luie stoel.
Het personeel
met hun glazen whisky en sigaren,
verdween naar de periferie;
het was slechts hij en ik.
En hij talmde.
Wilde antwoord
op een vraag die ik niet hoorde
en hij slechts stelde
met zijn oogopslag.

We spraken
met bewust geuite woorden.
Zochten
naar de grenzen van ons samenzijn.
Een subtiele aanraking
van zijn vingertoppen, strelend
over de haartjes van mijn arm.

Eenmaal buiten,
gemaskeerd
door het duister van de nacht,
duwde hij mij
tegen een muur
en liet zijn handen gretig dwalen.
Zijn heupen
namen mijn onderlichaam gevangen,
zoals zijn tanden mijn onderlip,
voordat zijn tong de pijn wegnam.

Hijgend,
woordeloos,
sloot ik mijn vingers
om zijn hand
en wees de weg.