Aaifoon

Het is woensdagmiddag, er zijn geen klanten in Mats Foonshop. Vroeger had ik dan vrij, denkt Mat. Wat heb ik fout gedaan dat ik nu moet werken?
Er komt een jongetje binnen, een jaar of zes, schat Mat. Iets erachteraan komt z’n moeder, aan iedere arm een volle boodschappentas.
‘Ik wil een aaifoon!’
‘Ik verkoop andere telefoons.’
‘Ik wil een aaifoon.’
‘Ik verkoop betere telefoons.’
‘Goedkopere toch vooral?’ komt de moeder tussenbeide. ‘En doe niet zo verwend Zoef! Deze meneer heeft een mooie telefoon voor je.’
‘Ik wil een aaifoon!’

“Aaifoon” verder lezen

Da’s duidelijk

Zo, toga aan, befje om, tas met dossiers in de hand, het werk kan beginnen. Vandaag ben ik advocaat. Nu eerst op de fiets naar het station, met de trein naar de stad en dan wandelen naar mijn kantoor. Dat wandelen gaat overigens het best in een toga. Het geflapper op de fiets is minder aangenaam, maar het hoort erbij en levert wel aanzien op. “Da’s duidelijk” verder lezen

Kozen

Het is dinsdagochtend tegen twaalven. Het miezert al de hele ochtend. Een oude dame achter een rollator komt Mats Foonshop binnen schuifelen. Mat staat tegen z’n koffiebarretje geleund.
‘Ben jij Mat?’
‘Jawel.’
‘Ik namelijk ook. Althans, mijn man noemde me meestal zo. Eigenlijk heet ik Mathilda. Hoe heet jij eigenlijk?’ “Kozen” verder lezen

Maandag

Door het raster van het stalen rolgordijn voor z’n winkeltje kun je het lezen: Mats Foonshop. En in kleinere letters daaronder: ook koffie. Mat grijnst, ondanks z’n hoofdpijn; het is toch fijn om je eigen winkelbaas te zijn, kan je nog eens een uurtje later open.

Nadat hij het rolgordijn en de winkeldeur heeft geopend, doet hij eerst z’n espressomachine aan, dan een klein lampje. Hij gaat voorzichtig op de barkruk achter z’n koffiebarretje zitten.
‘Je was er niet om twaalf uur!’ klinkt het schel. Shit, denkt hij, een klant, en dan: shit, Trui. “Maandag” verder lezen

Foto

Verderop, bij de volgende hoek, staat een rolstoel met een man erin die, als ik het goed zie, aan het rommelen is met een lange stok. Terwijl hij daarmee bezig is, rijdt hij met z’n rolstoel achteruit de stoep af, de drukke weg op. Er stopt bijna meteen een busje, de chauffeur stapt uit en begint de rolstoel de stoep op te duwen. Ondertussen ben ik bij de hoek, de stoep loopt er af naar de weg. Het busje blokkeert het verkeer en ik neem de rolstoel van de chauffeur over om hem verder de stoep op te duwen, waar het vlak is. De man was bezig de poten van het statief onder zijn fototoestel in te schuiven, hij is er bijna mee klaar.
Ik was onderweg naar het station. Waar moet u heen? Hij mompelt iets. Kan ik u ergens heen brengen? Hij mompelt en lijkt naar rechts te wijzen. Daarheen? Ik duw ‘m vast die kant op om te zien hoe hij reageert. Het gemompel klinkt als instemming. We gaan niet naar het station. “Foto” verder lezen

Workshopje

‘Is het een idee om bij de boekpresentatie een workshopje te doen: hoe schrijf je een verhaal in 500 woorden?’, stond er ineens in onze  groepsapp. Een ander vond het meteen een leuk idee.
Ik niet. Ik ben geen workshopjesgever en ik houd ook niet van workshopjes. Bovendien, als we onze potentiële lezers leren hoe ze zelf zulke leuke stukjes kunnen schrijven, gaan ze dat doen en lezen ze ons niet meer. Maar omdat ik nou eenmaal erg goed heel leuke stukjes van ongeveer vijfhonderd woorden schrijf, en ook de beroerdste niet ben, zal ik schriftelijk wat korte tips geven. “Workshopje” verder lezen

1 – 0

digitale agenten van de geheime dienst
hebben gehackt staat er in de krant
nou ja ze zijn van vlees en bloed
maar kijken alleen naar hun scherm

zien die digitale agenten daar ook
hoe ik stiekem verliefd ben op jou
dat als jij naar mij kijkt en wat vraagt
ik antwoord met blozen en staren

ik pin niet meer ik check niet meer in
mijn kenteken bankrekening en telefoon
ik laat ze laad ze niet op
en app je zelfs geen emoticon

wel fluister ik zacht in je oor dat ik je tref
warm en vertrouwd in ons echtelijk bed
lekker hun beeld schiet tekort
een nul voor jou en mij

Herfst, bijna winter

Bijna iedereen op het perron kijkt, licht voorover geknakt, naar z’n telefoon. Niet alleen maar wel allenig sta ik ertussen. Twee meter verderop, buiten de overkapping, klettert de regen op het perron. Het is veel te vroeg donker. Bij een windvlaag voel ik de spetters. Nee – de trein komt zo.

De Dijk speelde voor een uitverkochte zaal, vorige week. Dat deden ze al toen m’n jongens nog niet geboren waren. Nu zijn die erbij en ze vinden het ook geweldig. Ik haal drie bier. ‘Als het golft, dan golft het goed.’ Bij Dansen op de vulkaan ging de vloer op en neer, aldus de jongste. Ik ook.  ‘Het regent in de straten. Er is niemand in de stad. Iedereen …’ Ook mooi. “Herfst, bijna winter” verder lezen

Weg

Er zijn mensen die het heerlijk vinden om te reizen, om weg te zijn van thuis, en er zijn er die het liefst thuis blijven. Ik hoor bij de eerste groep. Noem het vluchtgedrag – maar ik vind het heerlijk onderweg te zijn. Vooral reizen te voet is fijn. Je beleeft de omgeving het best en je bent het langst onderweg. Fietsen is ook goed. Maar als de snelheid van het vervoermiddel toeneemt, neemt de lol van het reizen af. “Weg” verder lezen

Bor

Of ik een stoere mannenverhaal wil schrijven, is de vraag. Nee, ik wil nu vertellen over Bor.

Via Marktplaats nemen we poes Bibi over van iemand die allergisch is voor katten. Ze is groot voor haar vier maanden en door haar dikke vacht lijkt ze nog groter. En door die dikke vacht zie je niet … Afijn, bij het eerste bezoek aan de dierenarts wordt ze ontmaskerd als jongetje. We noemen hem Bor. “Bor” verder lezen