Onder de stationsklok – Nieuwe ontmoetingen

Aan het raam

De stationsrestauratie schudt als een goederentrein langs het perron sukkelt. Het kunstige patroon in het schuim van mijn cappuccino laat zich er niet door verstoren. Het zijn mijn handen die trillen als ik het kopje optil. Ik zet mijn ellenbogen wat fermer op het tafeltje. Mijn mond laat zich allang niet meer vertellen hoe het hoort en koffie druipt over mijn kin. Ik veeg mijn gezicht af met mijn zakdoek. “Onder de stationsklok – Nieuwe ontmoetingen” verder lezen

Tijdslimiet

Het bereiden van noordzeekrab met citroenmayonaise op een bedje van gewokte lamsoor is een fluitje van een cent. Ik heb het recept van een schrijfvriend in Castricum. Hij heeft het zelf nooit bereid, want zijn vrouw wil niet dat hij levende krabben in een pan kokend water gooit, maar wij schrijvers in de Randstad zijn minder scrupuleus. Onderdeel van het ritueel is wel dat je de krabben zelf vangt. Dat kan gewoon in het Grevelingenmeer. Een snorkelvriend van mij woont daar in de buurt. Lamsoor groeit er ook. Lekker koken en eten hoeft niet ingewikkeld te zijn. “Tijdslimiet” verder lezen

Risico van het vak

De avondklok heeft zich verlaat. Hij haast zich door de stille, hun adem inhoudende straten. Het is waterkoud. Een nevelige regen aarzelt of hij zich nu al zal vastvriezen aan de klinkers. Bij sommige huizen worden de gordijnen nog wat steviger dichtgetrokken. Op een Frans balkonnetje staat een man te roken. Hij schiet zijn gloeiende peuk naar de avondklok als deze onder hem door loopt. Weer zo’n avond, denkt de klok, die zijn pas versnelt. Weer zo’n avond dat de tijd zich eindeloos uitrekt.

“Risico van het vak” verder lezen

Lager wal

Ik heb mijn zeilen gestreken in een baai aan de lijzijde van het eiland. Het is de zomerwind die me tot hier heeft gebracht. Dezelfde wind die mij je stem nadraagt. Een wind die nooit aan land zal komen, die geen behoefte heeft aan een anker.
Het strand is bezaaid met schelpen, achteloos neergegooid en weer vergeten door de golven. Roze vleugelhoorns. Gerimpeld van buiten en glad van binnen herinneren ze me aan jou, aan de momenten dat je me nog toestond om me over je gewelfde, natte schoot te buigen. Oneindig ver boven mij kreunde je. Achtergrondmuziek. Als ik nu zo’n schelp aan mijn oor zou zetten, zou het diepe ruisen een echo zijn uit het verleden.

“Lager wal” verder lezen

Het rechte pad

Er zit een slag in het linker wiel van de rolstoel die het revalidatiecentrum ons heeft meegegeven. We dreigen steeds van het smalle betonpad af te rijden. De ironie ontgaat me niet. Ik krijg kramp in mijn handen van het tegensturen en stop met duwen.
‘Nu al moe?’ sneert Douwe.
‘We hebben geen haast, toch?’ zeg ik, terwijl ik mijn handen tegen elkaar wrijf. ‘Geniet er maar van dat je eindelijk weer eens buiten bent.’
‘Buiten! We zijn op een kerkhof, goddomme.’
‘Een beetje meer eerbied voor de doden, misschien?’
‘Alsof ze ons kunnen horen,’ zegt Douwe. ‘Hallo! Is daar iemand?’
‘Hou op, man.’
Ik tik hem harder dan bedoeld tegen zijn achterhoofd. Hij valt voorover, maar wordt in de rolstoel gehouden door de veiligheidsriem.
‘Sorry.’ Ik trek mijn vriend weer stevig terug tegen de rugleuning.
Douwe gromt iets onverstaanbaars en pakt mijn hand die op zijn schouder rust. Hij is sterk geworden in zijn handen.
‘Doe dat nog een keer en ik breek je vingers,’ zegt hij toonloos.
Ik trek snel mijn hand weg.
‘Els ligt hier iets verderop, om de hoek,’ zeg ik. ‘Het is een mooie plek.’

“Het rechte pad” verder lezen

De mooiste dag van haar leven

Mijn vrouw doet de afwas in haar bruidsjurk. Ze heeft haar schouders hoog opgetrokken. Haar moeder staat naast haar en pakt de druipende borden aan om ze af te drogen. Niet dat ze dat doet, afdrogen. Ze veegt er even overheen met haar theedoek en voegt ze dan toe aan de borden die opgestapeld op het gasstel staan. Ze zet de grote borden op de grootste gaspit links voorin en de kleine op de kleinste gaspit rechts achterin.

“De mooiste dag van haar leven” verder lezen

Vier episodes uit het leven van een butler

1. Een meisje erbij

‘Goedemorgen, mijnheer, uw thee en de krant.’
‘Dank je, Benson.’
‘Kan ik u even spreken, mijnheer?’
‘Maar natuurlijk, Benson.’
‘Ik zou er graag een meisje bij nemen, mijnheer. Met uw toestemming, natuurlijk.’
‘Een meisje? Je bedoelt voor in de keuken? Of is het voor de kamers?’
‘Geen van beiden, mijnheer. Daphne en Graciëla doen het daar heel goed.’
‘Maar waarom dan een extra meisje?’
‘Nou, eigenlijk is het voor mij, mijnheer. Ik wil graag een lief, fris meisje voor erbij, nu mijn vrouw wat ouder wordt. Ze kan gewoon bij ons op zolder, dat meisje. Mijn vrouw vindt het goed.’
‘Prima, Benson, regel het maar.’
‘Uitstekend, mijnheer. Ik plaats een annonce.’ “Vier episodes uit het leven van een butler” verder lezen