Sil’te golven

In de kamer was het zoals altijd gezellig druk en rommelig. Het rook wat zurig, naar te lang op het warmhoudplaatje staande koffie. Ook de alom aanwezige zilte geur van langzaam gedroogde kleren stelde hem gerust. Hij hoorde bekende stemmen, maar kon ze niet zo goed verstaan. Was hij even weggedommeld? Had hij wat gemist? Waarom lag hij op zijn rug met het dekentje van Lobke over hem heen? Hij plukte aan het dekentje. Schrok. Wat moest hij met het dekentje? Zo had hun dochtertje het toch veel te koud?

Het servies rammelde in de kast. Nu moest hij dus eigenlijk meteen opstaan. De paarden voor de wagen spannen. Meteen op pad. Voordat anderen hem voor waren. Zijn juttersbloed maakte hem alert. Hij spitste zijn oren. Was het waar? Hoorde hij boven het geluid van de beukende storm uit de stem van zijn lieve vrouw Jaakje? Hij aaide over de wollige stof. Ademde eens diep in. Merkte dat de mensen in de kamer even stil vielen. Ademde rustig uit. En weer in.

Het dekentje was weg. Kleine zoetgeurende Lobke ook. 

De mooiste dingen had hij gevonden. Dingen die eerst aan anderen hadden toebehoord. Door de zee in zijn schoot geworpen. Totdat Wietse hem aan het twijfelen had gebracht. Al het moois dat de zee hem had gebracht, mocht hij dat houden? Mocht hij het houden omdat hij het had gered? Iemand veegde zachtjes zijn tranen weg.

Hij had zoveel mensen gered. Maar zijn baby Lobke had hij niet kunnen redden. Of toch wel? Later, toen de zee haar opnieuw in zijn liefdevolle armen wierp. In de koude diepe natte duisternis had hij opeens licht gezien. Zilverwitte haren. Zilverwit licht. Had hij haar gered? Of had zij hem gered? En Jaakje en later ook Jelle en Wietse.

De wind rukte aan zijn kleren. De paarden snoven. Hij spoorde ze aan. Vaart maken, hij moest de anderen voor zijn. Overal zand, in zijn borstelige wenkbrauwen, zijn neus, oren. Hij tandenknarste. Zoveel moois had de zee hem gegeven. En genomen. Meer dan 500 verhalen aan Zee zou hij er over kunnen vertellen. Over zijn zoon Jelle. Die anderen ging redden in de stormende zee. Die niet zichzelf had weten te redden. En die ook hij niet had kunnen redden. Maar in een verhaal misschien wel. Hij ademde moeizaam in. Moest je eigenlijk wel willen proberen om iemand anders te redden? Of toch ieder vooral zichzelf?

Hij liep de zee in. De kou sneed zijn adem af. Toen de kou tot borsthoogte was opgekropen zag hij zijn paard terugzwemmen naar de branding. Hij schudde zijn schuimende kop. Weer veegde iemand de zilte druppels zachtjes weg.

De wind was geluwd. Er was verse koffie gezet. Zijn kleren hingen te drogen bij de kachel. Hij hoefde er niet meer uit om te jutten en zeker niet meer om anderen te redden. Dat konden ze prima zelf. De vertrouwde stemmen waren helder hoorbaar nu. Ook het zilverwitte licht. Zachtjes werd hij gewiegd op de warme golven. Hij streelde het dekentje en dommelde weg.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.