Ontmoeting op zee

De donkere golven komen loom als olie aanglijden vanuit het westen en verdwijnen onder de boot. Ik dein mee, mijn oren gespitst voor het GPS-signaal dat ik de zuidelijkste punt van Zuid-Afrika zal passeren.
‘De vijf is in de klok, Kapitein Rob,’ zeg ik goedgemutst tegen mezelf.
Het glas met de rum-cola staat al een tijdje in de houder naast het kompas. Ik pak het op en proost naar het Zuiderkruis dat oplicht aan de donker wordende avondhemel. De drank is lauw geworden. Ik volg met mijn stylus mijn geplande route op de zeekaart die het interactieve navigatiescherm vult. Nog maar 120 zeemijlen naar de Kaap. Een etmaal.
Het navigatiesysteem geeft drie waarschuwingspiepjes. Ik zie dat ik een gebied nader waar puntige rotsen bij eb tot net onder het wateroppervlak reiken. Het is nu vloed, maar ik haal toch de vergrendeling van het stuurwiel en ga wat ruimer koersen, verder van de kust. Daarmee kom ik op de vaarroutes van de grote tankers en containerschepen, maar ik vertrouw op mijn radar.
Het is mijn zoveelste nacht alleen. Nadat ik de Malediven verliet, heb ik in geen enkele haven aangemeerd. Bijna twee maanden op zee. Mijn ontziltingsapparaat zorgde voor voldoende drinkwater, maar de bodem van mijn voorraadkast is inmiddels in zicht. De boot heeft zich behoorlijk goed gehouden, maar voor alle zekerheid zal ik hem in Kaapstad toch laten inspecteren in het droogdok.
Als de bijna volle maan zich lijkt vast te pinnen op het topje van mijn mast, valt de wind weg. Het grootzeil hangt onmiddellijk weerloos in de touwen. De boot ligt op een spiegel van blauwzwart glas, waarin de sterren net zo helder trillen als aan de nachthemel. Ik zit in mijn vertrouwde canvasstoel op het achterdek, een bodempje rum in de bijna lege fles aan mijn voeten. De volumeknop van de MP3-speler heb ik bijna helemaal naar rechts gedraaid. Niemand die zich daaraan stoort, hier aan de zuidkust van Zuid-Afrika waar de Atlantische en de Indische Oceaan elkaar treffen. De robuuste klanken van Wagner’s “Der fliegende Holländer” weven een kleed waarop ik geleidelijk aan indommel.
Een scheepsbel slaat vier glazen. Ik open mijn ogen. Het is pikkedonker. Ik hou mijn blik strak gericht op het slaphangende zeil tot schaars licht in mijn ogen sijpelt. Als ik opkijk, zie ik dat ik in de maanschaduw lig van een driemaster met bollende, donkerrode zeilen. Aan haar dek beweegt zich niets. Op de achterplecht staat een geheel in het zwart geklede gestalte, zijn gezicht verborgen onder een breedgerande hoed. Zijn hand rust onbeweeglijk op het stuurwiel. Ik herken hem uit de verhalen en groet hem eerbiedig. Hij reageert niet. Dan is het schip voorbij. De maan komt terug en parelmoer spreidt zich uit over de zee. De driemaster lost op in een nevel van zilverlicht.
Het grootzeil klappert en ik schrik wakker uit mijn droom. De wind is terug. Ik trek de touwen aan en leg de boot strakker op koers. Nog 80 zeemijlen naar Kaapstad.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
Abonneer
Laat het weten als er
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties