Dat andere virus

‘Hey Evy, lang geleden. Hoe gaat het met jou?’ Spontaan steek ik mijn hand uit. Evy bewaart een veilige ruimte tussen ons, angst weerspiegelt in haar ogen. ‘Het is oké, ik ben gevaccineerd.’ De afstand in haar ogen wijkt geen duimbreed. ‘Ben je bang dat ik je alsnog zal besmetten? Corona is voorbij hoor. Al zes maanden nul besmettingen. Het is oké.’
‘Ik weet het …’ De afstand blijft bewaard.
‘Maar?’
‘Wat als er een ander virus opduikt?’
‘Wat dan?’
‘Kan je mij dan niet besmetten met jouw hand?’
‘Dat kan.’
‘Dan schud ik ze liever niet.’
‘Wil dat zeggen dat je nooit nog iemand een hand zal geven?’
Aarzelend schudt ze haar hoofd. ‘Ik weet het niet.’
‘Of dat nooit nog iemand een knuffel van jou krijgt?’
De twijfel in haar ogen groeit. De frons op haar voorhoofd verdiept.
‘Heb jij een vriend of vriendin?’
‘Een vriendin.’
‘En?’
‘En wat?’
‘Knuffel je haar niet?’
‘Ja, maar zij zit in mijn bubbel.’
Rillingen lopen over mijn rug, zweet parelt op mijn voorhoofd. Het b-woord. Ik word er … ‘Wil je mij een plezier doen?’
‘Wat?’
‘Wil je mij de hand schudden en dat … dat klotewoord nooit meer uitspreken?’
‘Welk woord?’
‘Dat je daarnet zei. Dat met een b begint.’
‘Bedoel je bu …’
Mijn hand vliegt omhoog. ‘Dat ja. Ik word er knettergek van. Ik wil het nooit meer horen. Ik wil geen afstand meer houden. Ik wil iedereen knuffelen. Ik wil jouw hand in de mijne voelen. Ik wil jou een kus geven. Heb jij dat niet gemist? Heb je die afstand niet door je lijf voelen snijden? Huidhonger, zoals dat heet. Voel jij dat niet?’
Ze knikt. De angst en twijfel in haar ogen smelten. Aarzelend steekt ze haar hand uit. Ik neem ze stevig vast. Haar hand is klammig. Ze trilt, ik knijp er zacht in. Ze komt tot rust.
‘Zie je wel.’
Een voorzichtige glimlach vormt om haar mond, breidt uit naar haar ogen. De onrust en angst glijden zichtbaar van haar schouders. 
‘Voelt goed hé.’
Ze krijgt kleur, de glimlach ontdooit haar gezicht. De rimpels op haar voorhoofd vervlakken, deinen uit als een stuk opwarmend klei. De kraaienpootjes rond haar ogen lossen op. Ze houdt mijn hand stevig vast. Haar lichaam is nog star, ook daar ontstaan barsten in het harnas dat haar al bijna twee jaar onwrikbaar omklemt. Ze draait met haar schouders om het los te wrikken. Plots laat ze mijn hand los, slaat haar armen stevig om mij heen, drukt een zachte kus op mijn wang en houdt me minutenlang vast.
‘Dank je,’ fluistert ze als ze mij loslaat en nog een kus geeft. Haar lichaam is warm en ontspannen. ‘Dank je. Jij hebt mij eindelijk bevrijd van dat vreselijke virus.’
‘Dat deed ik niet hoor. Daar waren heel slimme mensen dag en nacht mee bezig.’
’Niet dat virus.’ Haar ogen zijn groot, tranen rollen over haar wangen. ‘Het angstvirus.’

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.