De Braziliaanse

In gedachten verzonken hing Ruben Dozijn zijn uniformjas aan de kapstok. Vroeger had Sonja hem na elke dienst opgewacht. Hoe laat het ook werd. Voordat ook maar iemand van een avondklok had gehoord. In de donkere woonkamer staarde hij door het raam en schrok toen er werd aangebeld.

‘Wat moet jij hier?’ Hij wees naar zijn horloge. ‘Weet je wel hoe laat het is?’

‘Of dat nog verschil maakt …’ Zijn broer maakte een wegwerpgebaar. ‘Ik denk dat ik ziek ben.’
Jos was sterk vermagerd sinds die laatste ruzie. Zijn huid zag valig geel. Na zijn weigering hen te bezoeken toen Sonja zo ziek was, had hij niet verwacht hem ooit nog terug te zien. Ruben herkende de verschijnselen. Sonja had net zo’n fletse uitdrukking gekregen toen De Braziliaanse haar in zijn wurgende greep kreeg. 
‘Zet je fiets in de garage.’
In de keuken had hij de ketel opgezet.

‘Dus ze heeft het niet gered?’
Ruben had zijn hoofd geschud.
‘Dit virus is veel heftiger dan Covid-19. Ze had veel pijn.’
‘Kreeg ze daar niets voor?’
‘Natuurlijk wel.’ Irritatie klonk door in zijn stem. ‘Maar niets bracht verlichting.’
Jos had gezucht. ‘Het einde is dus ellendig?’
Ruben negeerde de vraag. ‘Blijf maar hier. Je bent er nu toch.’
‘Je bent niet meer kwaad op me?’
‘Jawel. Je bent een hufter, maar ook mijn broer. Dat je ziek bent, maakt geen verschil. Ik haal de thee.’

‘Vertel eens over die pillen.’ Ademhalen kostte Jos moeite. 
Ruben schokschouderde. 
‘Ik kende die vent via een collega bij recherche. Die gifmenger kon dat nieuwe wondermiddel leveren. Illegaal natuurlijk. Het is nog niet toegelaten. Dan zou Sonja beter worden.’
‘Je hebt het tóch gedaan? Hoe?’
‘Ik heb het geruild voor mijn auto. Voor minder deed die rat het niet.’ Hij had zijn handpalmen getoond. ‘Het hielp niet. We waren te laat.’
‘Zou het voor mij nog op tijd zijn?’ 
‘Jij denkt zeker dat ik nóg een auto heb?’

Ruben kreeg het gevoel dat hij terug in de tijd werd geworpen. Zijn grote broer jankte als een klein kind als De Braziliaanse nauwelijks te verdragen was.
‘Met enkel wat paracetamol red ik het niet, Ruben.’
‘Je kunt op me rekenen,’ had hij gefluisterd.

Het leek een eeuwigheid te duren, maar eindelijk werd het licht en verschenen er weer mensen op straat. Er werd bij hem aangebeld.
Zwijgend nam hij het pakketje aan en ging hem voor naar de garage.  
‘Is dit een grap?’ vroeg de apotheker toen hij daar slechts Jos’ fiets ontwaarde. Zijn kraaloogjes schoten vuur. 
Ruben had zijn hoofd geschud. ‘Meer heb ik niet te bieden.’
Razendsnel graaide de rat naar de medicijnen. ‘Dan gaat het feest niet door.’
‘Het spijt me. Je laat me geen keus.’ Ruben omklemde zijn dienstpistool.  
De man zeeg ineen toen de zware kolf zijn schedel brak.

‘Stop dit goed weg.’ 
Hij stak Jos het doosje medicijnen toe en belde hij het bureau. 
‘Brigadier Dozijn hier,’ zei hij. ‘Zouden jullie een wagen naar mijn huis willen sturen?’ 

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
Abonneer
Laat het weten als er
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties