Avondwandeling

Om half negen doet de schrijver de deur achter zich dicht voor zijn dagelijkse wandeling. De wind blaast door zijn haardos. Woorden banen zich een weg naar buiten, eindelijk bevrijd van de stoffige studeerkamer. Hij hoopt op verlossing voor zijn hoofdpersoon die in een impasse verkeert. 
Achter de ramen van schaars verlichte huizen zitten mensen op de bank naar Netflix te kijken. Bij sommige van de ramen houdt hij even stil, kijkt naar binnen en probeert zich een beeld te vormen van hun leven. Twee mensen, hand in hand op de sofa, een leven waarvan zijn hoofdpersoon alleen maar kan dromen.

Een groep jongens passeert hem, luidkeels schreeuwend. Vlak voor zijn voeten gaat een rotje af. Als hij van schrik opzij springt, klinkt hoongelach van alle kanten. ‘Opschieten, man, het is bijna negen uur.’ 
De schrijver vervolgt zijn weg, hij heeft nog tien minuten. Misschien moet hij zijn hoofdpersoon die volledig is vastgeroest in de cirkel van zijn gedachten, ook eens aan het schrikken maken. 
Vanuit de verte het geluid van glasgerinkel. Hij staat stil en draait zich om; donkere gestalten rennen rond, een vuur laait op. Niet lang daarna klinken de indringende tonen van een brandweerauto die zich naar de plaats van het onheil begeeft.

De schrijver nadert het kruispunt, waar hij dagelijks rechtsaf gaat om zijn woning te bereiken. Vandaag niet, zijn benen bewegen zich -als vanzelf- naar de straat aan de linkerzijde, hij raakt steeds verder verwijderd van de plek van bestemming.
De avondklok luidt: één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen.
Pijnlijk dringt het besef dat hij te laat is door tot in zijn botten. Welke kant hij ook opgaat, hij redt het niet op tijd thuis te zijn. Hij staat stil, niet wetend wat te doen. Ik ben mijn hoofdpersoon geworden, denkt hij. Net als hij heb ik mezelf in de problemen gebracht. Het draait allemaal om keuzes, vooral om keuzes die niet gemaakt worden uit lafheid of gebrek aan verbeeldingskracht.

Iets warms schurkt zich tegen zijn benen, een klagelijk gejank doorbreekt de stilte. 
Twee bruine ogen kijken hem smekend aan, een riem ligt doelloos op de stoep. 
Ik droom, denkt de schrijver. Zoiets gebeurt alleen maar in een slecht geschreven boek, waarin aan het eind de ontknoping in de vorm van een deus ex machina de lezer met een diep gevoel van teleurstelling achterlaat. 
Twee agenten stoppen voor hem. ‘Mijnheer, het is wel de bedoeling dat u uw hond aangelijnd houdt. Anders moeten we u beboeten. Neem de riem van de grond en loop door.’

Met de hond wandelt hij terug naar het kruispunt, aarzelt nog even en neemt de kortste weg naar zijn huis. Hij bedankt de hond, die hem niet begrijpend aankijkt. Met de staart tussen zijn benen druipt hij af, de riem sleept hij doelloos achter zich aan. 
Hij stapt zijn studeerkamer binnen en opent de ramen. Weer waait een frisse wind door zijn haren. Zijn vingers bewegen razendsnel over het toetsenbord, woorden en zinnen dansen op het scherm. Vanuit de verte blaft een hond. 

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
Abonneer
Laat het weten als er
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties