Lager wal

Ik heb mijn zeilen gestreken in een baai aan de lijzijde van het eiland. Het is de zomerwind die me tot hier heeft gebracht. Dezelfde wind die mij je stem nadraagt. Een wind die nooit aan land zal komen, die geen behoefte heeft aan een anker.
Het strand is bezaaid met schelpen, achteloos neergegooid en weer vergeten door de golven. Roze vleugelhoorns. Gerimpeld van buiten en glad van binnen herinneren ze me aan jou, aan de momenten dat je me nog toestond om me over je gewelfde, natte schoot te buigen. Oneindig ver boven mij kreunde je. Achtergrondmuziek. Als ik nu zo’n schelp aan mijn oor zou zetten, zou het diepe ruisen een echo zijn uit het verleden.

“Avalon” noemden wij ons huis op de flanken van de uitgedoofde vulkaan op Tahiti. Immer in nevelen gehuld, in de hoop dat niemand ons er zou vinden. Tevergeefs. We vonden er elkaar, maar al snel kwamen we onszelf tegen. Ik vertrok, zeilend naar morgen. Het Zuiderkruis wenkte me, maar toen de liefde die ons ondanks alles bond strak kwam te staan, keerde ik toch om.
De tweede keer dat ik je verliet, was ons huis donker, als een stad die rusteloos wacht op de bommenwerpers. Ik droomde me van je weg, over oplichtende zeeën, mijn handen om het stuurwiel geklemd. Ik besefte toen nog niet dat ik al overal ben geweest, alles al een keer heb gezien. En dat ik nog steeds niet weet wat mijn bestemming is.

Ik duik vanaf de boeg van mijn boot het kristalheldere water in en zwem naar het strand. Het tij is aan het keren en ik ben alert op de onderstroom, die een armada aan zorgeloze vissen meevoert richting de open zee. “Let the water come and carry us away”, zong een vriend van me ooit, maar daar ben ik nog niet aan toe. Er zijn zoveel antwoorden waarvoor ik nog geen bevredigende vragen heb gevonden.
Onder mij woelt een reuzenmanta zich los uit het zand en zweeft gracieus weg. Als het vliegende tapijt waarop Sindbad ontsnapte. Ik ben jaloers. Waar kan ik heen als ik geen plek heb om me te verbergen? Ik moet denken aan wat een visser op Samoa me vertelde. Dat er voorbij de oneindige zee, voorbij de horizon, altijd nog een eiland ligt. Leeg en wild en ongerept.
Het water rimpelt. De wind draait naar de herfst en neemt je stem mee. Ik klim snel weer aan boord en hijs de zeilen. Misschien haal ik je nog in. Of ik zal je vinden op dat ongerepte eiland voorbij de horizon. Dan bouwen we er een nieuw huis, op een strand waar de schelpen luisteren naar de muziek die wij samen maken.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
Abonneer
Laat het weten als er
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties