In mijn ogen in mijn oren

Na het overlijden van mijn ouders was ik nooit meer in het dorp geweest, maar nu we vanwege corona niet naar het buitenland konden en in de buurt waren, stelde mijn vrouw voor om een ‘reisje naar mijn verleden te maken’. Nadat we de auto aan de rand van het dorp hadden geparkeerd, liepen we door een straat die grotendeels door een supermarkt in beslag werd genomen. Tegenover de supermarkt stond een grote woonboerderij die ik vaag herkende van vroeger, maar toen was het nog een boerenbedrijf en liepen er geiten op het erf.

De straat leek op de Godinstraat, de straat waar mijn opa en oma woonden, maar dan de zwart-wit versie. Het leven was er uit. Op een bordje zag ik ‘Kooldijk’ en ik begon aan mezelf te twijfelen. Aan een oudere voorbijganger vroeg ik ‘is dit niet de Godinstraat?’ ‘Klopt, maar Paul Godin was een slavenhandelaar en daarom kreeg de straat een nieuwe naam.’ ‘Mijn opa en oma woonden hier,’ lichtte ik toe, ‘maar ik kan hun huis niet meer vinden.’ Nieuwsgierig vroeg de oude vrouw ‘van wie ik er dan een was.’ Ik gaf kort antwoord, maar in mijn gedachten zat ik weer bij mijn opa en oma aan tafel.

Mijn vader ging dagelijks naar zijn ouders om de krant te ruilen. Ik ging graag mee, want het was er gezellig. Mijn vader had veel broers en zussen die bijna allemaal nog thuis woonden en dol waren op hun neefje.

Aan het einde van de middag was het huis van mijn grootouders vol geluiden. Opa en de ooms en tantes waren terug van hun werk of van school en bespraken de dag. De kleine eetkamer was gevuld met gerinkel van glazen en kopjes, opgewonden gesprekken en het geblaf van de hond die niet tegen lawaai kon. Mijn opa en oma toonden hun belangstelling niet met vragen over hoe het ging op school of met wie ik had gespeeld maar met een beschuit met suiker of een bakje hopjesvla. Terwijl ik probeerde om zo weinig mogelijk suiker te knoeien, liepen de gemoederen hoog op in de discussies over kerk en politiek. Later legde mijn vader uit dat dat geen ruzie was, maar een woordenstrijd die niemand hoeft te winnen. Ik vond wedstrijden zonder winnaar maar stom.

Soms was ik overdag bij mijn oma. De kamer die anders zo vol was, werd nu door een zacht licht beschenen waardoor je zag dat het behang op sommige plekken losliet en dat de kozijnen waren verkleurd. Uit de radio klonk Penny Lane en hoewel ik niets van de tekst verstond, voelde ik dat het over dit huis moest gaan. Het kalmeerde me een beetje, want hoewel ik me erg thuis voelde bij mijn opa en oma zorgde de lege kamer voor een intens verlangen naar huis en mijn zusjes met wie ik anders meestal ruzie had. Overdag stond het leven hier stil.

Vanaf het erf van de boerderij kwam een Tesla. ‘Kom, we gaan,’ zei ik tegen mijn vrouw. 

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
Abonneer
Laat het weten als er
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties