Ik zag je nooit

Hij is zo dichtbij geweest. Een flard van een lome zomeravond komt boven drijven. Op bed, het laken half over haar heen. Met zijn vinger de sproetjes op haar rug volgen. Zo dichtbij. En toch heeft hij haar niet gezien. Niet echt.

Het lag niet aan haar. Dat ziet hij nu ook wel. Het was zijn hoofd. Het had hem verliefd laten worden op de schaduw die hij nauwkeurig over haar persoonlijkheid had gedrapeerd. Hij had zo graag gewild. Na drie mislukte relaties geloofde hij niet meer in de liefde, had hij overal stoer geroepen. Toen kwam zij. Zijn hoofd maakte haar de perfecte vrouw. Gebroken was hij toen het na twee moeizame jaren uit ging. Had hij toen maar beseft dat hij treurde om iets dat alleen in zijn hoofd bestond. 

Hij kijkt naar de telefoon in zijn hand. Haar profielfoto op het scherm. Ze draagt het haar blijkbaar iets langer nu. Het staat haar goed. Hij bijt op zijn lip. Ergens in hem ontluikt de twijfel. Opnieuw. Zijn hoofd vouwt de schaduw open, klaar om hem weer om te hangen. Hij balt zijn andere vuist. Er is maar één manier om deze strijd tussen hart en hoofd te beëindigen.

De telefoon gaat over. Een keer. Twee keer. Dan neemt ze op. ‘Met Gabrielle.’ Hij zegt zijn naam, ze is verrast, ze praten, hoe gaat het, wat doe je. Zonder moeite vinden ze hun oude grapjes terug. Natuurlijk wil ze afspreken.

Een week later spreken ze af,  op het strand. ’s Morgens snijdt hij zich bij het scheren. Ze gooit hem terug in de tijd als ze aan komt lopen. Donkere krullen boven stralende ogen. Hij neemt haar in zijn armen. Ze lacht, kust hem op de wang, doet een stap naar achteren. ‘Je ziet er nog precies hetzelfde uit. Wat goed om je weer te zien!’ Ze slaan rechtsaf. Eerst naar het noorden, wind mee.

Op de terugweg zegt ze het, zomaar ineens. ‘Ongelofelijk hè, dat we samen waren. We passen helemaal niet bij elkaar! Ik dacht dat ik verliefd was. Maar ik was verliefd op de man in mijn hoofd. Pas op het eind zag ik in dat je helemaal niet de persoon bent die ik van je had gemaakt!’ Ze grinnikt, stompt hem op zijn arm.

Hel licht in zijn hoofd verscheurt de schaduw. Hij kiest de enige uitweg die hij zo snel kan bedenken: zijn telefoon grijpen en fronsen. Hij moet weg, spoedklus voor het werk. Hij negeert haar teleurstelling en stapt stevig door naar de strandopgang. Voor zijn auto nemen ze afscheid. Ze aarzelen tussen hand en zoen en eindigen in een onhandige omhelzing. Dan zegt hij het. ‘Alles wat ik zag was mijn hoofd. Ik zag je nooit. En jij; je viel voor de man die ik niet ben. Als we beiden zagen wat we wilden geloven… wat is liefde dan?’

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
Abonneer
Laat het weten als er
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

1 Reactie
Nieuwste
Oudste Meest gestemd
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
George
George
1 maand geleden

Goed getroffen! Het zijn vaak de gedachten waarin we geloven, die ons afhouden van de ware liefde.