Hald mich ens vas

Toen ik eenmaal wist waar ‘ons’ liedje werkelijk over ging lukte het me niet meer om met haar te vrijen. We leerden de ballad jaren geleden kennen tijdens een voorjaarsvakantie in Limburg. Het was er koud, zonnig en we vierden er ons eerste verkeringsjaar. Dolverliefd en krap bij kas belandden we in Venlo, meer zat er niet in. We verbleven in een aftands hotel dat het slechte van de jaren ’60 ademde, recht tegenover het station en bevolkt door een horde bezopen en verklede ‘Hollanders’.

Het was er carnaval. Of, zoals de Limburgers zeggen ‘vastelaovend’. Ze vierden het buiten en de stad was overladen door vreemde kostgangers, mensen verkleed als superhelden, matrozen, kanonskogels, rupsen en vlinders.

We begaven ons drie dagen in de feestende menigte, bij één bepaald nummer vielen alle aanwezigen vierders elkaar steevast in de armen. De kluwen mensen, onbekend voor elkaar, smolt dan tijdelijk samen. Wij, geliefden voor het leven, vergaten alles om ons heen, we hielden elkaar vast en zongen het refreintje fonetisch mee.

In de hotellobby raakten we aan de praat met man die ons verzekerde dat hij niet verkleed was, met zijn opvallende bakkenbaarden en knickerbocker leek hij echter verdacht veel op een kabouter én hij wist alles van Venlo. Hij vertelde dat het mooie liedje ‘Hald mich ens vas’ heette en van een band was uit Lottum. Hij vertelde dat het carnavalsfeest in een massale paringsdans veranderde als het nummer werd gedraaid. Cryptisch omschreef hij dat alle mensen dan buiten honger kregen en toch altijd weer naar huis gingen om te eten. 

Wij werden ook hongerig van het liedje. Eenmaal thuisgekomen downloadden we het en uren lang bedreven we de liefde op het nummer waarvan we enkel de eerste zinnen van het refrein konden meezingen. ‘Hald mich ens vas’. 

Ik beminde haar terwijl het zachte Limburgs ons in de oren fluisterde. Op de maat van wiegden we elkaar dan tot grote hoogte. Rustig, langzaam, deinend walsten we samen tot één groot orgasme. En toen kwam ik er achter waar het nummer over ging…

De Dood, het nummer ging over de f*cking dood. 

‘Ons liedje’. Een liedje over stomme bloemenblaadjes die liggen op een doodskist, over vasthouden aan het leven terwijl een ander stierf. Op het moment dat ik er achter kwam maakten de gedachten aan de liefde plaats voor het ongemak van de dood. Het lukte me niet langer mijn vriendin te zien als lekker hapje. Haar zoete zachte lichaam zag ik alleen nog maar als lijk.

Op het moment dat ik mijn verloofde vertelde dat we zo niet verder konden vroeg ze me om haar vast te houden. Ze staarde me verbaasd aan en vroeg me met een steeds luider wordende stem: ‘waaom, waarom, WAAROM?

Voor mij voelde het alsof ik de dood in de ogen keek. Ik haalde voor een laatste keer diep adem en antwoorde haar in vloeiend Limburgs: ‘Umdet ik van ut laeve hald!’

p.s.: En ondanks dat, blijft het een mooi nummer.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
Abonneer
Laat het weten als er
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties