De toverformule

‘Vandaag wil ik liefhebben zoals ik nooit heb lief gehad.’ Het is meer een bezwering dan een voornemen. Vanuit zijn bed bekijkt hij het aftandse interieur van de oude stacaravan die hij voor een zacht prikkie heeft kunnen overnemen van een oud-collega. Het aanrecht van de sleetse keuken staat vol met gebruikte mokken, borden en glazen, aan het plafond hangen twee overvolle vliegenvangers en op de grond ligt het stapeltje kleren waaruit hij gisteravond zo zijn bed is ingestapt. Zijn blik glijdt langs het met koffiekleurige vlekken besmeurde laken weer terug naar het beeldscherm.

Scarlett Johansson kijkt verveeld om zich heen, neemt een slok van haar drankje. Op een podium doet een danseres een vuurdans, aan een tafel wijst een lachende man naar Scarlett of naar die vuurdanseres, dat is niet duidelijk. Het is donker zoals het altijd donker is in een nachtclub. Alleen Justin Timberlakes hoofd en een glimp van zijn zwartleren jack zijn zichtbaar, wanneer hij tegen Scarlett begint te praten. 

Geluidloos praat hij mee.

‘Ik heb je hier nog niet eerder gezien, werk je hier?’
‘Laat me met rust, ik ben hier met iemand.’ Ze knikt in de richting van de tafel met de lachende man.
‘O ja, werkelijk? Luister, ik heb je hier nog niet eerder gezien…’
‘Je verveelt me.’
‘Dus ik ben vervelend? Ik denk dat ik heel leuk ben.’
‘O.K., wat ga je doen om me te vermaken?’

Het is een magisch moment in de video. Eerst moet Scarlett niets van Justin hebben, dan fluistert hij wat in haar oor waarna het niet lang duurt voordat… het moet een toverformule zijn. Jaap sluit zijn ogen. Hij kan het vervolg van de videoclip dromen.

Scarlett lacht. ‘Zo, je wil spelen? Heb je een auto? Laten we maken dat we wegkomen.’

Hij begint Scarlett te kussen en zij kust hem terug. Even later liggen ze in het zwembad. Zijn kleren plakken door het water tegen zijn lijf. Met zijn handen strijkt hij haar lange blonde haren uit haar gezicht, hij drukt zijn mond op haar natte lippen. 

Zuchtend staat hij op. ‘Wat een bende,’ mompelt hij. Hij pakt zijn kleren van de vloer en legt ze op een stoel. Opruimen is niets anders dan het zinloos verplaatsen van spullen. Hij loopt naar het kleine badkamertje. Zijn ochtendstraal is krachtig genoeg om de bruine sporen aan de binnenkant van de pot weg te spoelen. Dat scheelt weer een keer wc schoonmaken.

‘Nu eerst een kopje thee en een boterham met hagelslag.’ Hij betrapt zich er steeds vaker op dat hij tegen zichzelf aan het praten is. Hij zit nu om precies te zijn 26 dagen, veertien uur en 27 minuten op deze camping, minuten die elk een uur lijken te duren, maar dagen die omvliegen. De wonderlijke spagaat in tijdsbeleving doet pijn aan zijn hersenen. ‘Kom op Jaap,’ moedigt hij zichzelf aan. ‘Vandaag ga je er op uit, ga je opfrissen.’

‘Mooi plekje heb je hier.’ Hij schrikt van de stem die blijkt te horen bij een jongeman die wijdbeens op zijn bank zit. Hij draagt een onderhemd dat een gespierd lijf verraad en daar losjes overheen een openvallende grijs-blauwe bloes, de panden hangen over een strakke zwarte broek die met bretels omhoog wordt gehouden. 

‘Heb je ook koffie? En dan niet zo’n slappe bak Senseo, maar gewoon lekker sterk.’ 
‘Ik kan wel koffie zetten.’
‘Ik zou er niet mee wachten, als ik niet op tijd koffie drink, krijg ik koppijn.’
‘Dat wil ik niet op mijn geweten hebben, hoofdpijn is een gesel der mensheid die je veroordeelt tot een leven in stilte en duisternis, terwijl er buiten zo veel moois te beleven is. Ik hoorde je niet binnenkomen, wat kom je doen?’
‘Je deur zat niet op slot en de gelegenheid maakt de gast, niet waar? Heb je er bezwaar tegen wanneer ik mijn laarzen uittrek? Ze knellen een beetje.’ Hij voegt de daad bij het woord en onthult een rechtersok waar een vuile grote teen doorheen steekt. Een doordringende zweetlucht verspreidt zich razendsnel door de kleine ruimte.
‘Ik doe even een raampje open, als je het niet erg vindt.’
‘Mooie caravan heb je, van alle gemakken voorzien zie ik, douche, toilet, een bed.’ Jaap haalt zijn schouders op, spoelt snel een mok om en schenkt de koffie in.
De man neemt een gulzige slok. ‘Verdomme, heet! wil je me dood hebben of zo, nu zit ik hier met een verbrande bek. Heb je ook water?’
Jaap schenkt snel een glas water in. ‘Voor een gast ben je wel erg vrijmoedig. Zou je je eerst niet eens voorstellen?’
‘Tuurlijjk, ik ben wie je wilt dat ik ben. Hij neemt nog een slok van zijn koffie. ‘Beter. Moet je je niet eens aankleden?’

Jaap bekijkt zichzelf. Verrek, hij zou zich opfrissen, in plaats daarvan loopt hij nog steeds in de lubberende onderbroek die hij al drie dagen aan heeft. Gedachteloos vist hij een schone boxershort uit een stapel min of meer schone was in de hoek van de caravan. Daarna pakt hij de kleren van de stoel en trekt ze aan, een onderhemd, bloes, strakke donkere broek. Ze ruiken bedompt, maar de geur went snel. Hij draagt zijn bretels onder zijn bloes en maakt ze snel vast. Terwijl hij zijn sokken aantrekt, ontdekt hij een groot gat in de rechtersok. Verdomme, moet hij ook nog uit op nieuwe sokken.

Hij is wel blij met de onverwachte gast. De afgelopen weken was zijn enige contact de caissière van de supermarkt met wie hij korte kassagesprekjes voerde. ‘Ik spreek zestien woorden per week,’ zegt hij niet, per se tegen zijn gast.
’Het is tijd om te spelen, om weg te gaan.’
Jaap kijkt verrast op. Zijn gast gebruikt Scarletts woorden. Hij moet er inderdaad uit, naar buiten, mensen ontmoeten, nieuwe herinneringen maken. ‘We kunnen een wandeling over de camping maken?’
‘Spannend!’
‘Voor mij wel. Het is even geleden dat ik zonder reden buiten ben geweest. Ik durf het niet meer zo goed.’ Hij haalt eens diep adem. ‘Ik ben altijd gezond geweest, nooit iets bijzonders onder de leden. En nu, vanuit het niets een aanval. Ik werd op de grond wakker. Bloed in mijn mond. Bleek ik mijn tong kapot te hebben gebeten. Mijn hele lijf deed pijn, mijn hoofd voelde dof. Ik de volgende dag naar de huisarts en die verwees me door naar het ziekenhuis. Epilepsie dus. Als ik gaap of duizelig word van te snel opstaan ben ik bang dat er weer aan aanval komt. Ik durf amper nog naar buiten en ben bang voor de nacht. Wat als ik weer uit bed val? Ik kan met mijn hoofd tegen de linnenkast vallen, of een nachtkastje. Sinds kort draag ik daarom een helm in bed, maar daardoor kan ik eigenlijk alleen nog maar op mijn rug slapen. Ik doe geen oog dicht, in plaats van slapen lig ik uren naar het plafond te staren.’

‘Mijn tandarts heeft een grote poster op het plafond geplakt,’ antwoordt de man op de bank. ‘Allemaal filmsterren, geloof ik. Gek, als ik daar lig, ga ik ze één voor één langs, kan ik de poster zeg maar dromen, maar zodra ik de spreekkamer achter me dicht trek ben ik de poster vergeten.’
‘Ik hoef geen poster op mijn plafond, ik wil gewoon kunnen slapen. Ik ging ook altijd graag in bad, maar dat doe ik nu alleen nog met een zwemvest aan. Deze jongen verdrinkt niet in zijn eigen bad. Het ziet er natuurlijk volslagen idioot uit. Een naakte vent, goedgebouwd, in een knaloranje zwemvest met opstaande kraag en een een fluitje aan een koord. Maar dat is altijd beter dan dood in bad. Nu ik erover nadenk, dood in bed worden gevonden met een helm op is ook niet ideaal. Ik zie het kleine bericht in het plaatselijke krantje al voor me.’

Samen lopen ze op sokken naar buiten. Zijn gast zingt vrolijk: ‘Dit is mijn rechterteen die ’s ochtends de dingen groet. Dag, oude stacaravan met je golfplaten wandbedekking. Dag paarse bloemen van de rododendron aan de rand van het pad. Dag ruisende bladeren en brullende vliegtuigen.’
Jaap glimlacht en vult aan. ‘Dag toiletgebouw met niet-doorgetrokken wc’s. Dag zon. Dit wordt een dag om lief te hebben.’

‘Kijk uit,’ Jaap springt opzij, daarmee ruimte makend voor een oude, walmende Mercedes bus die zo te zien eigenhandig is omgebouwd tot camper. De bus komt schommelend tot stilstand voor een hellinkje. De rechterportier gaat open en een vrouw, haar blonde haar in een lange vlecht, pronte borsten, gevlochten sandalen, klimt moeizaam naar buiten. Jaap vergeet adem te halen. Scarlett.

Stijfjes loopt ze het hellinkje op en op aanwijzingen van de chauffeur blijft ze ergens halverwege staan. De bus rijdt een stukje achteruit, de chauffeur schakelt, geeft gas en probeert de helling te nemen, daarmee recht op Scarlett afrijdend, die haar handen beschermend over haar hoofd heeft geslagen. 
‘Pas op!’ Jaap rent de helling op. 
Vlak voor de vrouw komt de wagen tot stilstand om vervolgens weer naar beneden te rollen. Inmiddels zijn meer mensen uit hun tenten, campers en caravans op het schouwspel afgekomen, meer lettend op de blonde vrouw dan op de slordig geklede man die op vuile, versleten sokken naar haar toe rent. De bus neemt weer een aanloop, komt opnieuw te vroeg tot stilstand en rolt weer terug. 

Als Jaap naast de vrouw staat, begint hij te praten.

‘Ik heb je hier nog niet eerder gezien, ben je voor het eerst op deze camping?’
‘Laat me met rust, ik ben hier met iemand.’ Ze knikt in de richting van de chauffeur van de bus die inmiddels met zijn derde poging bezig is om de heuvel op te komen.
‘O ja, werkelijk? Luister, ik heb je hier nog niet eerder gezien…’
‘Je verveelt me.’
‘Dus ik ben vervelend? Ik denk dat ik heel leuk ben.’
‘O.K., wat ga je doen om me te vermaken?’
Hij fluistert wat in haar oor.

De toverformule. 

De vrouw schudt haar hoofd. ‘We kunnen toch ook op een lagere plek,’ roept ze naar de bus. Haar reisgenoot antwoordt met een blauwe walm uit de uitlaat en een gierende motor. De wagen dendert, rakelings lang de vrouw, omhoog. Jaap heeft geen schijn van kans.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
Abonneer
Laat het weten als er
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties