Het rechte pad

Er zit een slag in het linker wiel van de rolstoel die het revalidatiecentrum ons heeft meegegeven. We dreigen steeds van het smalle betonpad af te rijden. De ironie ontgaat me niet. Ik krijg kramp in mijn handen van het tegensturen en stop met duwen.
‘Nu al moe?’ sneert Douwe.
‘We hebben geen haast, toch?’ zeg ik, terwijl ik mijn handen tegen elkaar wrijf. ‘Geniet er maar van dat je eindelijk weer eens buiten bent.’
‘Buiten! We zijn op een kerkhof, goddomme.’
‘Een beetje meer eerbied voor de doden, misschien?’
‘Alsof ze ons kunnen horen,’ zegt Douwe. ‘Hallo! Is daar iemand?’
‘Hou op, man.’
Ik tik hem harder dan bedoeld tegen zijn achterhoofd. Hij valt voorover, maar wordt in de rolstoel gehouden door de veiligheidsriem.
‘Sorry.’ Ik trek mijn vriend weer stevig terug tegen de rugleuning.
Douwe gromt iets onverstaanbaars en pakt mijn hand die op zijn schouder rust. Hij is sterk geworden in zijn handen.
‘Doe dat nog een keer en ik breek je vingers,’ zegt hij toonloos.
Ik trek snel mijn hand weg.
‘Els ligt hier iets verderop, om de hoek,’ zeg ik. ‘Het is een mooie plek.’

Het ongeluk was mijn schuld. Natuurlijk bezwoer iedereen mij dat ik me spoken in het hoofd haalde, maar het was wel mijn auto. Met die oude banden, het profiel een lachertje, maar voor nieuwe banden had ik het geld niet. Els wilde het me lenen, maar daar zou Douwe snel achter zijn gekomen. Met alle gevolgen van dien. Douwe hield niet van geheimen.
 Ze zouden gaan kijken naar een pandje in Bilthoven, Douwe en Els. Zo noemde Douwe het altijd, ‘een pandje’. Goedkoop kopen, laten verbouwen door een stel Polen, duur verkopen. Els moest dan mee en het lieve vrouwtje spelen. En het werkte. Zo kwam Els nu eenmaal over. Tenminste, naast Douwe. Bij mij was ze anders.
Of ze mijn auto mochten lenen. Die van Douwe was een paar dagen weg voor een beurt. Ik aarzelde vanwege de banden, maar wat kon er nou gebeuren op dat korte ritje van Baarn naar Bilthoven?
Els kwam mijn stokoude Toyota ophalen. We kusten elkaar gulzig terwijl de garagedeur nog naar beneden ratelde. Douwe hield altijd alles minutieus bij wat Els deed, dus we hadden maar weinig tijd. Ik duwde haar achterover op de motorkap. Het was in twee, drie minuten voorbij. Els had vrolijk lachend haar kleren rechtgetrokken.
De rechter voorband van mijn auto moet zijn geklapt toen ze over een steen reden, op een plek waar aan de weg werd gewerkt. Douwe verloor de macht over het stuur en ze reden zich met tachtig kilometer per uur te pletter tegen een shovel die naast de weg stond. Els was op slag dood. Douwe overleefde het ternauwernood. Hij is blijvend verlamd vanaf zijn middel.

De grafsteen die ik voor Els heb uitgezocht, is simpel en smaakvol. Donkergrijs graniet, de tekst in gestileerd wit, verzonken in de steen: “Els Dufresne, 1967-2020. Rust zacht, mijn lief”.
‘Had je niks beters kunnen verzinnen?’
‘Het past goed bij Els,’ zeg ik.
Douwe buigt zich voorover en laat het boeket witte en rode rozen, dat al die tijd op zijn schoot had gelegen, op de steen vallen. Het elastiekje dat de stengels bij elkaar houdt, knapt, waardoor het boeket uit elkaar valt.
‘Els hield van rozen,’ zeg ik zacht.
‘Nooit iets van gemerkt, terwijl ik ze toch iedere week liet bezorgen.’
Je had ze ook persoonlijk kunnen geven, denk ik. Of vandaag zelf een boeket kunnen kopen om op haar graf te leggen, in plaats van mij dat te vragen. Ik kniel en rangschik de bloemen in een waaier op de steen, rondom de tekst. De knieën van Douwe duwen in mijn rug als hij iets naar voren rijdt. Ik verlies mijn evenwicht en val over de steen heen.
‘Tot in den dood,’ zegt Douwe. Het venijn druipt uit zijn woorden.
Ik sta op en veeg mijn broek af.
‘Wat bedoel je?’
‘Zelfs nu ze dood is, kruip je nog op haar.’
Ik verstar en zeg niets.
‘Weet je,’ zegt Douwe, ‘Het lag niet aan die klapband. Ik had de auto onder controle en ik had die shovel met gemak kunnen ontwijken. Maar toen riep Els “Oh mijn God, Stefan!”. We kregen een ongeluk en ze riep jouw naam.’
Ik keer me naar Douwe en kijk hem strak aan.
‘Het bevestigde wat ik allang wist, mijn zorgzame vriend,’ gaat Douwe verder. ‘Ik kreeg een rood waas voor mijn ogen en reed ons tegen de shovel. De veiligheidsgordel van Els schoot los en ze keilde door de voorruit. En ik kreeg het motorblok van jouw wrakkige auto op schoot.’
Hij geeft me een harde duw, zodat ik weer op de grafsteen val, nu achterover.
‘Ik laat jullie alleen. Geniet ervan. Ik kom er zelf wel uit.’
Douwe rijdt weg over het pad richting de uitgang van het kerkhof. Zijn armen geven krachtige slingers aan de wielen van zijn rolstoel. Hij kijkt niet meer om. Zijn gang is kaarsrecht.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
Abonneer
Laat het weten als er
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties