Nachtzwemmen

Nachtzwemmen

6 juni 2020 2 Door Bert Roodhof

In de achteruitkijkspiegel zie ik de brug, het water, de kleine huizen in sneltreinvaart kleiner worden hoewel ik niet veel harder rij dan dertig. Jij woonde in het laatste huis van het buurtschap aan de rechterkant van de weg. Het huis oogt kleiner dan in mijn herinnering, in de tuin slingert kinderspeelgoed, aan de rand staat een verschoten plastic speelhuisje. Zou er nog familie van je wonen?

Die zomeravond, zo één waarop het niet veel kouder is dan overdag, had jij ons voor een barbecue uitgenodigd. Achteraf gezien net op tijd, later zouden we als idealistische studenten allemaal vegetariër worden. Er was zoveel vlees geweest dat het een wonder leek dat er überhaupt nog koeien, varkens en kippen op de boerderijen in de buurt rondliepen. Op een lange tafel stonden schalen met stokbrood, salades en uiteraard knoflooksaus uitgestald. Drank was er meer dan genoeg. Ouders vonden dat in die tijd geen probleem.

Na het eten ruimden we de tafel leeg. In een hoek van de tuin werden droge takken met nasmeulend houtskool in brand gezet. Je broer pakte zijn gitaar en tokkelde zachtjes liedjes van Cat Stevens. We droomden over onze toekomst en wisten zeker dat we alles anders dan onze ouders zouden doen. Jij vertelde over Midden-Amerika, dat je daar de koffieboeren wilde steunen, dat dat nodig was omdat ze geen eerlijke prijs voor hun bonen kregen en ik luisterde bewonderend en een beetje jaloers op je idealisme. Mijn dromen gingen niet verder dan een douane-opleiding en eindelijk weg.

Naarmate het later werd, werden de gesprekken luidruchtiger en gevuld met branie.

Ik weet niet meer wie met het idee kwam om in het water vlak bij je huis te gaan zwemmen, misschien jij wel. Mijn bezwaar dat ik geen zwembroek bij me had, werd weggelachen. ‘We gaan nachtzwemmen en dat kan bloot. We zien elkaar nauwelijks.’ Ik vond dat nog te bezien, aangezien er een bijna volle maan aan de onbewolkte hemel stond. Een beetje zenuwachtig sloeg ik nog een biertje achterover. Jij nam nog een glas witte wijn.

Daarna stommelden we met zijn allen naar de waterkant. Je trok snel de weinige kleren die je aanhad, uit en liet je in het water glijden. Ik probeerde discreet de andere kant op te kijken, maar dat lukte maar half. Je was zo mooi. Snel kleedde ik me ook uit en sprong in het water. Het was kouder dan ik dacht, ik hapte naar lucht en voelde het laatste biertje omhoog komen. Gelukkig wende de temperatuur van het water snel. Al snel gooiden we elkaar een fluorescerende bal toe en probeerden we elkaar te imponeren met woeste gebaren, gespetter en geschreeuw. We misten je pas toen we weer uit het water waren en onze eigen kleren hadden gevonden.

Ik kijk in mijn achteruitkijkspiegel. Wat zou ik je graag uit de deur van het huis zien stappen. Je verrast zien kijken als je ziet dat ik het ben, dat je zwaait. Maar de deur is dicht, al veertig jaar.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!