Vrijheid

Vrijheid

2 mei 2020 0 Door Edgar Nijman

Klokslag 10 uur. Mijn aandacht wordt gevangen door de wapperende driekleur op de kerktoren in de verte. Af en toe zie ik een schittering van koperen blaasinstrumenten en ontwaar ik een muzikant. Dan hoor ik de eerste tonen van het Wilhelmus. Voor mijn gevoel zing ik uit volle borst mee, maar ik besef dat ik in werkelijkheid slechts wat extra condens tegen het beademingsmasker produceer. 

Ze spelen het zesde couplet ook. Instrumentaal hoor je het verschil niet. Het kan net zo goed het tweede of achtste couplet zijn. Maar ik weet dat ze het zesde couplet spelen. Mijn favoriet! “De tirannie verdrijven die mij mijn hart doorwond”. In gedachten ben ik weer in de tijd van de tiran.

Het is 1941 en we hebben net een mooie eerste prijs gehaald bij het concours in Obdam. Na een lastige voorbereiding was het uiteindelijk toch maar mooi gelukt. Een beker om thuis mee te pronken. Uitgelaten als jonge honden drinken we het ene glas na het andere op de overwinning. Bij de thuisreis stappen we over op station Alkmaar. Als we enkele Duitse officiers in het vizier krijgen, zingen we onbesuisd en dronken dat we zijn het Wilhelmus uit volle borst. Blijkbaar is onze aubade zo overtuigend dat de officiers in de houding schieten en ons laten begaan. De stationschef werkt ons snel in de gereedstaande trein om de lieve vrede te bewaren. In de trein feesten we vrolijk verder. Pas de volgende dag beseffen we welk  gevaar we zijn ontlopen. 

De tijd daarna is er weinig te vieren. Eerst zijn het de NSB’ers met hun Kultuurkamer. We weigeren ons neer te leggen bij de verplichting om ons repertoire te laten goedkeuren. Als reactie mogen we geen optochten meer doen door Castricum. Uiteindelijk loopt het zo hoog op dat een aantal van ons onderduiken om niet te werk gesteld te worden in Duitsland. Onze prachtige hobby wordt ons onmogelijk gemaakt en het orkest verstomt.

Tot de bevrijding daar is! We trommelen alle onze spelers op voor zover ze niet gedeporteerd zijn. We vragen ook spelers van de andere dorpsfanfare en samen zijn we toch nog met een man of 13. We halen onze instrumenten tevoorschijn die we goed verstopt hadden voor de bezetter, die achter het koper aanzat. De verstopplekken onder de grond of in kruipruimtes trokken echter wel een zware wissel op de instrumenten. Maar een poetsdoek en een flesje olie doen wonderen en we beginnen samen aan de mooiste optocht die ik ooit heb gespeeld. De hele route juichen de mensen. Kinderen wapperen met vlaggetjes en als kers op de taart houden we halt bij de dokterswoningen aan de Van Oldenbarneveldweg. De plek waar de Duitsers zo lang hebben gezeten, maar waar nu de militairen van het Engelse corps van de Royal Artillery zitten. 

Het gejoel verstilt langzaam als we onze instrumenten aan de lippen zetten om een uitbundig maar plechtig Wilhelmus te spelen. 

Tijdens het slotakkoord komt een verpleger in vol beschermd ornaat mijn kamer binnen. “Dat was prachtig toch, meneer?”.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!