Verdoofd

Verdoofd

13 mei 2020 0 Door Frans van der Eem

‘U wordt vanmiddag om 16.00 uur geopereerd door dokter Harber,’ zegt de verpleegkundige terwijl ze door mijn status bladert. ‘Een ervaren traumachirurg, gespecialiseerd in pezen en zenuwbanen.’
Ze ruikt veel te schoon. Ik adem door mijn mond en reageer met een knikje.
‘Voor de verdoving krijgt u een plexus-anesthesie, een zenuwblokkade. In uw geval in de hals. Dat is volkomen veilig en u zult niets voelen van de hersteloperatie.’
Ik maak een bevestigende beweging met mijn goede hand.
‘De verwonding aan uw pols is nogal rafelig, dus er zal een litteken overblijven. Maar dokter Harber maakt er vast wat moois van.’
‘Fijn om te horen,’ zeg ik.
De verpleegkundige kijkt naar mijn arm. ‘Die andere littekens. Is er een relatie met uw recente verwonding?’

En weer zocht het mes zijn weg. Bloed parelde. Stroomde. De geur van ijzer. En weer bleef er iets achter. Een herinnering aan wat je deed. Moest doen. Maar ook nu zal het daar niet eindigen. Voor even zwijgen je demonen.

‘Mevrouw?’
‘Ik heb in een visfabriek gewerkt,’ zeg ik snel. ‘Daar gebeuren aldoor kleine ongelukjes.’
‘Een visfabriek. Natuurlijk, fileermessen en zo. Maar uw nieuwe verwonding lijkt wel veroorzaakt door een gekarteld broodmes. En u heeft vanuit uw woning 112 gebeld.’
‘Ik heb niet gebeld, dat was mijn zoon.’
‘Oké. Toen de ambulance arriveerde, lag u in de gang, tegen de voordeur aan. Er liep een bloedspoor naar de keuken. Is het daar gebeurd? In de keuken?’
Voor deze bemoeial moet ik oppassen.
‘Mijn mes schoot uit toen ik een te hard gebakken stokbroodje sneed.’
Ze maakt een aantekening op mijn status. ‘Een hardgebakken stokbroodje. Dat is een nieuwe. En uw zoon was erbij?’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Hij heeft uw verklaring bevestigd.’
‘En dus?’ vraag ik. 
Te agressief. De verpleegkundige kijkt op. ‘Mevrouw, ik probeer u zo goed mogelijk te helpen. En uw verwondingen zijn niet alledaags. Het moeten nare ervaringen zijn geweest.’
Ik zak onderuit in mijn bed. ‘Verder nog iets?’
‘Ik wil graag een afspraak voor u maken met een maatschappelijk werker. Hij kan …’
Voordat de verpleegkundige verder iets kan zeggen, loopt Ruben de kamer in.
‘Dag, mam. Hoe gaat het?’
‘Goed, jongen.’
Ruben legt zijn hand op mijn schouder. ‘Dit keer was het kantje boord, mam. Dit kan zo niet langer.’
‘We komen er wel uit, wij samen.’
De verpleegkundige hangt de status terug aan mijn bed. ‘U bent de zoon van mevrouw?’
Ruben negeert de uitgestoken hand. Zijn vingers boren zich in mijn hals. ‘Ik meen het, mam.’
Ik word duizelig als de bloedtoevoer naar mijn hersenen stokt.
‘Als dat alles is, zuster,’ kuch ik.
‘Goed, mevrouw. Denkt u na over mijn voorstel.’ Ze verlaat de kamer.
Ruben verstevigt de druk van zijn vingers. ‘Wat voor voorstel is dat?’
‘Iets met een maatschappelijk werker. Net als in het vorige ziekenhuis.’
‘Dat hebben wij niet nodig, mam. Geen pottenkijkers.’

In de coulissen roeren zich je demonen. Ze zijn nieuwgierig naar hun nieuwe trofee op mijn arm.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!