Afstand

Vaak wandelde de vrouw in het polderbos, behendig slalommend tussen andere wandelaars, genoot ze van deze virusvrije oase in lentepracht. Geen vuiltje aan de lucht zou je denken. Dat klopte. Meestal.
Op een warme middag liep op het bospad een kleine kaarsrechte gestalte. In een keurig pak, een geruite pet op, leunend op een wandelstok, naderde hij haar langzaam.
Op een meter of tien afstand, tikte hij twee vingers tegen zijn pet, neeg zijn bovenlichaam, groette haar beleefd: ‘Goedemorgen mevrouw.’ 
Vriendelijk beantwoordde ze zijn groet en stapte tegelijkertijd de berm in zodat hij haar op gepaste afstand kon passeren.  
Hij zag haar uitwijkmanoeuvre, vertraagde zijn pas. Zijn glimlach verdween, zijn ogen werden groot, verontwaardigd zei hij: ‘Maar mevrouw, u hoeft niet bang te zijn voor mij, ik mankeer heus niets!’
Ze hakkelde: ‘Sorry, ik heb ook niks, ik geloof u hoor, maar corona.’
Hoofdschuddend liep hij door, ‘Laat u niet gek maken, mevrouw.’  
 
Een paar dagen later liep ze weer op datzelfde bospad, genietend van het zonlicht op het lentegroen. Soepel uitwijkend voor andere wandelaars. Een grote, gebogen gestalte naderde. Een warrige baard, flodderige broek onder een trui vol vlekken. Zijn handen omklemden de rollator. Zijn mond bewoog alsof hij zijn benen aanspoorde. Elke stap leek een moeizaam behaalde overwinning.  
Ze stapte vast opzij zodat de afstand tussen hen een paar meter bleef.
Hij zag het, stond stil en zette zich hoorbaar hijgend op het zitplankje van zijn rollator.
Traag, uiterst traag, gleed zijn blik over haar heen. 
Van top tot teen en weer terug.  
Een geile grijns. 
Een vette knipoog.
Een doorrookte bromstem: ‘Corona, corona. Vreselijk jammer toch? Vin je ook niet?’

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
Abonneer
Laat het weten als er
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties