Regen

Regen

4 maart 2020 0 Door Jos Huigen

Woensdagmiddag; vrij. Ik verheug mij er weer enorm op. Lekker voetballen in het Beatrixpark, zoals ik bijna elke woensdagmiddag doe. Ik zit weliswaar in de 2e klas van de ‘grote’ school, maar volgens mij kan ik het met een minimale inspanning aan huiswerk wel redden. Trouwens, na zo’n ochtendje Latijn, kan toch geen mens verlangen dat je meteen aan je huiswerk gaat. Elke jonge scholier heeft zijn ontspanning hard nodig en zeker een grote voetballer in spé. Dus naar buiten. 

‘Zou je nu wel naar buiten gaan, Jos? Het plenst zo hard. Je wordt drijfnat. Daar is toch niets aan? Blijf nou maar binnen.’ Neen, ik wil niet binnen blijven. Een beetje regen kan toch geen kwaad. Echte voetballers doen het ook in de regen en daarna kan ik toch gewoon een warm bad nemen. Dus: kicksen, bal en trainingspak mee en òp naar het Beatrixpark. Het regent inderdaad wel èrg hard. Nog voordat ik op het grote speelveld ben aangekomen, ben ik al doorweekt. Maar goed, ik zal ongetwijfeld niet de enige zijn.

Het tegendeel blijkt waar. Het is inmiddels drie uur. Het regent nog steeds pijpenstelen. Het zit er niet meer in dat de anderen nog zullen komen, maar alleen is ook nuttig: balletje hooghouden, de lucht in schoppen en proberen in één keer dood te leggen, voorzetjes oefenen tegen de boom en vooral veel dribbelen. De kleren en schoenen in een plastic zak verpakt, veilig onder een boom. Daar kan mama niet boos om worden. Ik ben zo verdiept in mijn eigen training dat ik pas na enige tijd in de gaten heb dat er een heuse toeschouwer is. Een man, gleufhoed op, drijfnatte regenjas en kraag omhoog staat mij aandachtig gade te slaan. Misschien een scout, op zoek naar jong talent. Of niet?

De man kijkt om zich heen. Langzaam loopt hij het speelveld op. Ik ben bang. Bang voor die man, bang om weg te rennen, bang om mijn kleren achter te laten. Wat zal mijn moeder wel niet zeggen als ik zonder kleren en schoenen thuiskom? En met kicksen mag je niet op straat. Slecht voor de noppen. Maar als ik mijn kleren wil pakken, moet ik langs die man. Ik kijk om mij heen. Er is geen ziel te bekennen in het park. Het enige dat ik nog lijk te zien is het topje van een flat, die net met een paar etages boven de bomen uitsteekt. In een impuls zwaai ik naar de flat. Natuurlijk wordt er niet teruggezwaaid. De man ziet mij zwaaien, draait zich om en schiet weg. Ik ben nu nog banger. Snel pak ik mijn spullen onder de boom vandaan. Zo hard als ik kan ren ik – òp voetbalschoenen – het park uit via een uitgang die ik normaal nooit neem. Ik wil naar huis. Snel naar huis. 

Een paar jaar later voetbalde Bastiaan Bloemena daar op een woensdag ook in zijn eentje. Hij kwam nooit meer thuis.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!