Musculus orbicularis oris

Wat ben je mooi. Je lippen zijn zo vol, vormen samen een perfect ovaal. Kon ik maar met mijn vinger de rand van je bovenlip volgen, eerst omhoog, het grappige kuiltje, en dan weer omlaag. Je onderlip steekt een beetje naar voren, ik zou er op willen sabbelen, er met mijn tong langs willen glijden, maar ik kan alleen maar kijken, bewonderen.

Je lippen sluiten niet helemaal, een kleine opening nodigt uit naar wat je mond verborgen houdt, maar ik wil het niet weten. Ik kijk liever naar je mond, naar je lippen zoals ze zijn.

Vanaf het moment dat ik je ontmoette was ik gefascineerd door je mond, het brutale, het uitdagende. Ik zag hoe je op je onderlip beet als je nadacht, het beeld verjoeg alle demonen uit mijn hoofd. Thuis fantaseerde ik verder. Hoe je voor altijd bij me zou zijn, hoe je je lippen met je tong nat zou maken, hoe je je thee zou drinken, je voorzichtig met je mond de rand van het hete glas zou aftasten. Ik zou je een sigaret aanbieden en zien hoe de afdruk van je rode mond zou achterblijven op het filter.

Ik stuurde je op Valentijnsdag een kaart van een zoenende mond. Ik schreef dat er nooit iets was wat me meer opwond dan jouw mond.

Je had al snel door dat ik de afzender was, je vertelde het rond op kantoor. Collega’s zoenden in mijn richting en vroegen of mij dat opwond. Vanaf toen kwam ik mijn kantoortje niet meer uit. Ik weet zeker dat je het niet zo had bedoeld. Vanuit mijn schuilplaats keek ik naar je, hoe je praatte, lachte, ik keek naar je vingers die je gedachteloos langs je lippen haalde. Ik wilde zo graag zo’n vinger zijn. Jammer dat je steeds van je plaats was als ik naar je toe liep.

Wat was het fijn om je tegen te komen in de duinen. Je was alleen, je lippen glommen van de balsem je die net had opgebracht. Je wilde doorlopen, maar ik hield je staande, vertelde dat ik van je hield, je lippen op de mijne wilde voelen. Jij lachte, zei dat je nog liever met een vis kuste. Het deed me meer pijn dan ik had verwacht.

Ik wilde je alleen maar met je sjaal naar me toe trekken, geloof me, het was nooit de bedoeling om je te doden. Toen ik je daar zo op de grond zag liggen, met je mond open, werd ik overspoeld door wanhoop. Ik drukte mijn mond op de jouwe, maar je lippen waren al koud. Ik huiverde, wist niet of dat door jou kwam of door een plotselinge windvlaag. Toen pakte ik mijn Zwitsers zakmes.

Je bent nu voor altijd bij me, in een weckfles vol met water. Als ik me ellendig voel, zet ik je op tafel. Hoewel je lippen met de jaren smaller zijn geworden en hun kleur is vervaagd, herken ik nog steeds die prachtige mond van weleer. Het troost me.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
Abonneer
Laat het weten als er
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties