Pierrot

Juist nu het lukt te een beetje te ontspannen zie ik het. Fietsen in het donker: ik probeer het te vermijden, maar in de winter ontkom ik er niet aan. De fotografiecursussen voor volwassen die ik geef zijn altijd ’s avonds. Dikke wolken maken deze dinsdagavond nog donkerder. Halverwege mijn derde ‘lage buik-ademhaling’ – een trucje van de psycholoog – zie ik iets oplichten op het donkere laantje. Ik trap door. Adem in… Is het een gezicht?! Stop jezelf iets in te beelden! …. Adem uit. Ik kijk naar mijn stuur en weer vooruit. Het is er nog. Een wit gezicht. Boven een pak. Wit. Ik klem mijn hand om de telefoon in mijn rechter jaszak en trap door. Vlakbij nu. Het is geen gezicht, het is een masker. Pierrot. Rode lippen, witte wangen met zwarte tranen. Hij draait zijn hoofd. Kijkt. Er is iets onmiskenbaar triests in zijn houding. Dat zit hem niet alleen de tranen. Het zijn zijn schouders, afhangend in de witte overall. Het is zijn slepende stap. Dan doe ik iets dat ik van mezelf nooit had verwacht. Ik rem en stap af. ‘Gaat het?’ 

Hij reageert nauwelijks. Een schouderophalen. Dan laat hij zijn hoofd weer hangen. Zijn witte pak zit vol zwarte vegen. Bij zijn bovenbeen een grote, roodbruine vlek. ‘Ben je gewond?’ Weer een schouderophalen. Ik kijk naar hem en voel medelijden. Misschien is hij in de war. Is er iets naars gebeurd. Zo te zien heeft hij ongeveer dezelfde maat als mijn man. ‘Loop mee, ik woon hier vlakbij. Dan krijg je drinken en schone kleding. Gaan we daarna naar de dokter voor je been. Hij knikt kort en volgt. Bij de voordeur draai ik me om. ‘Wacht hier.’

Ik kom terug met een kop thee en een oude trui en broek van Johan. Hij zit op het stoepje bij de voordeur. Hij steunt met zijn hoofd in zijn handen. Alles straalt wanhoop uit. ‘Kijk, schone kleren. Maar eerst dat masker af.’ Hij buigt zijn hoofd als ik het elastiek vastpak. Ik maak het los. Zijn linkeroor. Zijn rechter oor. Ik schuif het masker naar beneden en kijk in het gezicht van mijn man.

Hij kijkt niet terug. Zijn ogen staan glazig. Alsof hij niet kan scherpstellen. ‘Johan! Wat is dit? Wat is er gebeurd?’ Ik trek de witte handschoenen uit. De vlekkerige stof bevestigt wat ik even later op zijn handen zie: bloed.  ‘Johan!’ Ik blijf roepen. Hij blijft zwijgen. Ik trek het witte pak van hem af. ‘Johan?’ Een grote bloedvlek op zijn been. Een kleinere op zijn linkerarm. ‘Ben je gewond?’ Hij schudt nee. ‘Wat is er gebeurd? Zeg het!’ Stilte. ‘Ik bel nu de politie.’ Met de telefoon aan mijn oor loop ik weg. Hij gaat over. Eén keer, twee keer. ‘Politie Noord-Kennemerland, goedenavond.’ Voetstappen achter me. Twee handen om mijn nek. Mijn ‘help’ strandt in kuchen. Ik hoor nog het vragende ‘Hallo?’ van de telefoniste. Dan wordt het zwart voor mijn ogen. 

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
error

Reageer op dit artikel

avatar

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  Subscribe  
Abonneren op