Engel

Bij mij in huis zwerft zonder vaste woon- of verblijfplaats een oude lijst met daarin een trouwfoto. Dat ik ‘m niet ophang, heeft alles te maken met de bruid op de foto, mijn oudtante uit de Zuiderstraat in Zandvoort. In onze strenge en godvruchtige familie was zij de vrijdenker, die haar eigen gang ging, en zich niet liet vangen door regels of gebruiken. 

Niet dat ze een makkelijk mens was. Ze had iets koppigs, eigengereids, wat haar geen allemansvriend maakte. Maar in mijn kinderjaren, als ik bij haar logeerde, had ik dat niet zo door. Voor mij was ze ranja op het strand, lang opblijven, naar de Tros kijken, en plaatjes draaien, het liefst de Elephant Song van Kamahl. 

We hadden een geheim verbond, mijn tante en ik. We begrepen er allebei niks van, de preken, de psalmen en de gezangen waar ik nooit, en zij bij begrafenissen in de familie niet aan ontkomen kon. Nee schat, zei ze tegen mijn moeder, ik hoef geen psalmboek, ik zing alles uit mijn hoofd. Dan kreeg ik een knipoog van haar als ze zomaar wat improviseerde. Er is toch Niemand die luistert, fluisterde ze in mijn oor. En dan trakteerde ze na de plechtigheid op gebak, want de dag was al treurig genoeg.

Haar huisje in de Zuiderstraat werd een vrijhaven, waar ik tot aan mijn middelbare schoolexamen graag logeerde. Met haar meeging naar de bibliotheek, waar ze de boeken met een geheim teken markeerde om te voorkomen dat ze ze per ongeluk nog een keer zou lenen. Meeging naar het graf van ome Wim, die zo heerlijk op de zon lag. Moorkoppen met haar at, opgewarmd op de kachel, omdat het anders zo’n kouwe plens in je maag is.

Weet je dat ik eigenlijk een jongensnaam heb? Ze vond het iedere keer weer mooi het verhaal te vertellen over haar vader. Toen Jan Hollenberg zijn dochter ging aangeven, weigerde de ambtenaar haar in te schrijven. 

Dat is geen naam voor een meisje. 

Daar nam Jan geen genoegen mee. Hij stapte op de tram van Zandvoort naar Amsterdam en kreeg het voor elkaar dat een ambtenaar op het stadhuis een schriftelijk bewijs opstelde, dat het in Amsterdam geen probleem was. Daarmee keerde hij terug naar Zandvoort en werd zijn dochter ingeschreven met de namen Carolina Maria Engel. 

En een engel, dat wás ze.

Ze leerde me vrij te zijn, dat je goed bent zo je bent, zonder regels van anderen. Niet buigen, maar de wolken opzoeken en zweven.

Ze wilde graag tot het einde in haar huisje blijven, maar dat is niet gelukt. Haar geest ging haar ruimschoots vooruit, en onwetend was ze nog een tijd in het Joannes de Deo in Haarlem voor ze overleed.

Ik denk wel dat ze me staat op te wachten, en dat ik haar dan meteen herken tussen de andere engelen.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
error

Reageer op dit artikel

avatar

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  Subscribe  
Abonneren op