Flor-ëzie

In het land der levende stenen
Waar meisjesogen luide wenen
Bij slangenkruid en wolfsmelk
En addertong en boksdoorn elk
Harer maagdenpalm was verdwenen
Oh, gaarne mansbloed in den aronskelk.

Het was die dag, niet lang geleden
Dat zij als juffertje in het groen,
Dromend op den vogelmuur getreden
Bezag de vlucht der zwanenbloem.

Zij ziet,
De hondsroos en het hondsviooltje,
In hondsdraf achter ‘hazenpootje’.

Ha, ha en zie,
Een berendruif met berenklauwen
En bijenkorfje aan ‘t verbouwen.

Kijk daar,
Een vogelnest in koekoeksbloem
Bezet door ‘t bosvogeltje, de oen
Die denkt “Ik heb een kievietsbloem”.

Ach gut,
Een egelboterbloem, vol zwier
Die maakt het hof, maar ‘t helpt geen zier
Bij een paardenbloem, zijn egelantier.

Dan plots klinkt fel uit het gewas
Trompetgeschal in ‘t olifantengras
De muisdoorn stopt verschrikt zijn staartje
Tussen de poten en met een vaartje
Verdrinkt hij jammerlijk in ‘t moeras.

Zij schrikt, springt op en onvervaard
Draait zij zich om en gilt en staart
Naar den ezelsdistel met geitenbaard
Die haar omrankt, voor ze kan ontkomen
En sleurt haar in de drakenbloedbomen.

Zijn schapenzuring, gelijk stinkende gouwe
Trekt in hare neus, dat het haar benauwe
Vanwaar zij valt, in wildemanskruid
Zijn mannetjesorchis is ingeluid
Met duivelswandelstok, wat heet
Zij gilt het uit en geeft een kreet
Als hij haar geeft, de kikkerbeet.
En ach, alweer veel vrouwenleed.

Alleen gelaten en verward
Ligt zij daar stil
Gebroken hart.

Niet ver van daar, vindt in zijn oentje
Een vaderplant, vol mannentrouw
In een luizenplant
Haar venusschoentje
Daslook good, I give a zoentje.

Hij pakt het op, hij wil het houwe
Dan klinkt de jammer, d’edele vrouwe.

Muziek zwelt aan, wel honderd koren
Zijn paardenhoefklaver springt naar voren
Gestoken door des riddersporen
Oh, zilverschoon ‘t vrouwenhaar, verward
Zijn kruiskruid bloeit
Want ziet kijk hieris
Hij ziet d’arme naakte lathyrus
Haar vrouwenmantel ligt apart.

Wees’t niet bevreest
Ik ben een heer
‘k Zal U helpen en
Vlei U neer
In het zachte vrouwenbedstro

Dankbaar fluistert zij duizendschoon
“Oh”.

In ‘t bed van stro
Onder goudenregen
Kijkt zij opzij en bloost verlegen
Voor wat zij ziet ‘een stuk’ !
Zij wil het niet
Zij vecht ertegen
Maar ach ze voelt ‘t slaapkamergeluk.

Zij knijpt en weet dat het een droom is
Violen gaan nu spelen
Fluks den passiebloem
In ‘t venushaar verdelen
Hij is het echt
Haar voorjaarsadonis

Zijn stampertje
Oh, wilde chicoreis
Ze wil en krijgt de ereprijs
Getuigen alle lelies
In elke sloot
Alweer een kindje op moeders schoot.

Oh, oh, ooievaarsbek!

En ze bloeiden nog lang , mooi en veel.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
error

Reageer op dit artikel

avatar

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  Subscribe  
Abonneren op