Weg naar nergens

Met een zucht ploft hij op het bankje neer. Hij is de tel een beetje kwijt, is dit de achtste winkel of de twaalfde? Zijn vrouw komt voor hem staan.
‘Deze?’
‘Mooi’, mompelt hij. ‘Kleur staat je goed, meteen kopen!’
‘Maakt de jurk me niet bleek?’ twijfelt zij. Te dik misschien? Ik probeer toch nog een andere.’
Hij zucht nogmaals en kijkt wat om zich heen.

Bij het raam staat een jong stel. Het meisje praat onophoudelijk en houdt intussen allerlei strakke truitjes omhoog. De jongen kijkt verlangend naar haar borsten, maakt zichzelf groter en kijkt vervolgens zelfbewust om zich heen. Hij wil hem het liefst waarschuwen. ‘Trap er niet in!’ Maar hij houdt zich stil.

Links ziet hij zichzelf in een grote spiegel. Een uitgebluste man. Hij gaat rechtop zitten, houdt zijn buik in, maar het beeld blijft hetzelfde.
‘Wilt u misschien een kopje koffie?’ Hij kijkt op. Een glimlachende verkoopster, gekleed in dezelfde rok als in de etalage, wacht welwillend op zijn antwoord.
‘Ja, graag.’

Gedachteloos roert hij in zijn kopje en luistert naar de gesprekken om hem heen.
‘… borstkanker, twee kleine kinderen …’
‘… ruzies, losse handjes, blauwe plekken …’
‘…altijd vissen, de passie is weg…’
De winkel vult zich langzaam met onheil. Hij wil het niet horen.

Wat vind je van deze?’ Zijn vrouw staat nu in een te strakke gele jurk voor hem.
‘Mooi! Doen!’
‘Ik weet het niet,’ antwoordt zijn vrouw. ‘Ik pas nog even die met de bloemetjes.’
Ze verdwijnt weer achter het gordijn van het pashokje.
‘Vraag het dan niet!’ roept hij haar zachtjes na. Ze hoort het gelukkig niet, dat scheelt weer een woordenwisseling.

Hij neemt een slok van zijn koffie en telt de uren. Dertig jaar getrouwd, iedere maand een keer winkelen, 500 uur wachten, bijna drie weken verveling. Zijn gedachten dwalen af.

Hij fietst, lichtjes over het stuur gebogen, tussen het water door. Links ziet hij grote schepen met bruine zeilen kleiner worden en verdwijnen. Rechts ziet hij fuiken en vissers in kleine bootjes. In de verte tilt het licht de bomen achter de horizon boven het water. Trillend hangen ze in de lucht. Hij trapt door, hoort de golven tegen de dijk slaan, zo nu en dan overstemd door de wind die langs zijn hoofd ruist.

Voor hem rijdt een andere fietser, hij probeert hem in te halen maar hij komt niet dichterbij. Hij hapt naar adem, hoort zijn naam, maar besteedt er geen aandacht aan. Hij moet verder. Hij zet nog eens aan en voelt zijn buik en borst schudden door de klinkers waar zijn fiets over heen stuitert. Hij had niet verwacht dat het pad zo hobbelig zou zijn. Had hij zijn banden maar iets minder hard opgepompt. Hij hoort weer zijn naam. Het schudden wordt erger, maar hij trapt door.

Dan wordt het rustiger. Eerst verdwijnt de wind, daarna verdwijnen de boten, de golven, het water, de fietser. In de verte hoort hij zijn vrouw huilen. Hij houdt even in, maar fietst dan verder.

Reageer op dit artikel

avatar

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  Subscribe  
Abonneren op