Vrienden

Zo’n vrijdag heb ik nog nooit meegemaakt, denkt Mat. Hij kijkt peinzend naar de fonkelnieuwe espressomachine op het koffiebarretje in Mats Foonshop. Hij kijkt ook peinzend naar de grote, dikke Bor, met zijn lange rode haar en woeste rode baard, die terugkijkt en z’n ogen vriendelijk dichtknijpt.

“Vrienden” verder lezen

Weg naar nergens

Met een zucht ploft hij op het bankje neer. Hij is de tel een beetje kwijt, is dit de achtste winkel of de twaalfde? Zijn vrouw komt voor hem staan.
‘Deze?’
‘Mooi’, mompelt hij. ‘Kleur staat je goed, meteen kopen!’
‘Maakt de jurk me niet bleek?’ twijfelt zij. Te dik misschien? Ik probeer toch nog een andere.’
Hij zucht nogmaals en kijkt wat om zich heen.

“Weg naar nergens” verder lezen

Roze of blauw

Op straat ligt een touwtje. Het is lichtblauw en roze. Twee in elkaar gedraaide strengen. Ze volgt het met haar ogen. Waar eindigt het? Af en toe schuift de wind het heen en weer. Ze pak het en trekt eraan. Het geeft niet mee. Verwachtingsvol kijkt ze naar het einde van de straat. Zou er iemand tevoorschijn komen? 

“Roze of blauw” verder lezen

Passant

Hoe we straalden als we elkaar zagen 
giechelden om alles, huilden 
als vriendjes ons dumpten, door de
slappe lach van de bank gleden

Wanneer wilden we niet meer dezelfde 
lippenstift, sijpelde twijfel in stiltes, werden 
omhelzingen onhandig deelden we verdriet niet meer?
Vergaten we verjaardagen, wurmden 
leugentjes zich in waarheden glipten 
schimpscheuten tussen woorden?

Mijn ogen herkennen dierbare 
contouren voor me in de rij mijn 
hart danst mijn mond roept je naam 
je ogen worden groot 
je loopt weg
lang kijk ik je na