Puur

In Kanazawa wilden we het Suzuki museum bezoeken. Het leek me een bijzondere ervaring, een museum vol Alto’s, maar er zou ongetwijfeld meer te zien zijn. Suzuki produceerde oorspronkelijk namelijk weefgetouwen en wapens, en nu, naast auto’s, motoren, quads en buitenboordmotoren.

Buitenboordmotoren. Ik was acht jaar. De buren hadden een grote glimmend zwarte Mercury (Mèr-kuurie), wij een tweedehands Evinrude. Met mooi weer werden tassen volgepakt met zwem- en picknickspullen en installeerden we ons in onze roeiboot. Terwijl wij met onze hoofden over de rand hingen om in het water naar onze dansende hoofden te kijken, startte mijn vader de motor. Tenminste, dat probeerde hij. De Evinrude liet zich namelijk niet gemakkelijk bedwingen. Onder de brandende zon trok hij tevergeefs aan het starttouw, door het extra choken vulde de lucht zich met benzinedamp. En op het moment dat we teleurgesteld naar huis wilden lopen, lukte het toch. Het gevecht tussen man en motor en de opluchting van het wegvaren waren eigenlijk leuker dan het einddoel.

Tot onze verrassing was het museum opmerkelijk klein: het bestond uit drie kale ruimtes. We waren in het D.T. Suzuki museum. Daisetz Teitaro Suzuki bracht echter geen motoren, maar het zenboeddhisme naar het Westen. In het museum heerste een serene rust, aan de wand hingen wat foto’s, op leestafels en in kasten lagen enkele boeken. Buiten waren drie tuinen, waaronder een waterspiegeltuin die ommuurd werd door bomen, planten en stenen uit de omgeving van Kanazawa. Het water weerspiegelde een klein wit vierkant gebouw. Ik haalde mijn handen door het water waardoor het gebouw onder water bewoog. Een suppoost keek vermanend onze kant op. Het was niet toegestaan om met je handen in het water zitten. Betrapt stond ik op. Een laatste rimpeling verdween. De waterspiegel was weer glad.

Later op de dag liepen we door de bijna vierhonderd jaar oude Kenrokuen tuin. Het was een grote tuin met verschillende vijvers, watervallen, bruggen, theehuizen, bomen, stenen beelden en bloemen. Over een pad lag een oude boom. Aangezien deze niet op de plattegrond stond, vermoedden we dat het hier ging om een bedrijfsongeval. De tuin was een zeventiende eeuwse interpretatie van de natuur waarin over ieder detail was nagedacht en daarbij paste geen omgevallen boom.  De natuur had hier in de spiegel gekeken en wij liepen nu rond in haar spiegelbeeld.

We gingen op een brug zitten en koesterden ons in de warme middagzon. Aan de overkant wandelden Japanse meisjes in traditionele kleding. Het geritsel van de bladeren, de vogels, het geklater van water gaven me een gevoel van rust. Hier zou het me wel lukken om mijn hoofd leeg te maken en een beeld te krijgen van de werkelijke werkelijkheid.

Ik sloot mijn ogen en schrok vervolgens op van een bekend geluid. Een onwillige motor. Een tuinman probeerde zijn grasmaaier te starten. Een Suzuki. Hij stond voorover gebogen en trok met alle macht aan de startkabel. Driftig liep hij weg. Vandaag zou ik hier geen verlichting meer vinden, maar de weg ernaar toe was ook goed.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!
Abonneer
Laat het weten als er
guest

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties