Vliegen als een meeuw

Bob overzag Castricum. Bastion der werkenden menschen. Een geconstrueerd universum. Het on-geconstrueerde universum, zo wist hij, was oneindig groter. Uitdijend ook. Net zoals hijzelf. En menig echtgenote. Maar dat terzijde. En toch, ‘zo boven zo beneden’ zeiden de Ouden al. Het hele heelal zat al in een molecuul gevangen.

Wonderlijk. Bob was bereisd. En toch niet erg avontuurlijk. Zo vloog hij van Texel naar de Febo in Amsterdam. In de Ferdinand Bolstraat. Elke dag weer. Dat was de moeite waard want de patat was daar overvloedig te vinden en lekker. Volgezogen met vet. Met saus er soms nog aan. Oppikken. Ook al lag het langer dan vijf seconden op de vloer. Voor het broodnodige zout. Relaxen in rustig Texel, snaaien in Amsterdam. Dat zouden wel meer wezens willen doen.
Wel last van steeds meer hinderlijke kleurlingen. Specifieker. Groene kleurlingen. Buitenlanders. Van die grote krijsende. Niet om aan te horen.

In de hoogte boven Castricum dropte hij er een paar. Zo boven dit keurige dorp gingen zijn gedachten altijd op de loop. Vooral met meewind. Dan had hij nog energie over. Hij zag de inwoners lopen en ploeteren. Ingewikkeld doen. Dingen doen. Maar hoeveel van die inwoners voelden zich echt van belang? Hoeveel zouden er gemist worden op hun werk als ze vandaag niet meer verschenen? Het gansche radar werk stond dan toch niet stil. Ze bleven gewoon thuis, veilig in hun huizen.Hoevelen keken omhoog, naar Hem daar op zijn Vleugels? Jaloers op zijn vrijheid, op zijn (vermeende) gebrek aan stress, op zijn gebrek aan Doelen die gehaald moesten worden. Persoonlijke doelen, zakelijke doelen. Vakantie doelen, hardloop doelen, tv-programma opnemen doelen en de ergste; doelen voor hun kinderen. Hij hoorde en kende ze wel, die doelen.Bob wist; erg diepgaand waren deze gedachten niet. Ze waren wel eerder geuit. En beter. Maar who cares. En bovendien was zijn brein niet erg groot.

Wat hij met de mensheid gemeen had was de reis. De reis met al zijn struikelblokken. Alhoewel hij letterlijk over sommige struikelblokken heen kon vliegen. Zoals files. Dat was dan weer wel een voordeel. Maar hij leefde korter. Live fast and die nog jonger. De reis met zijn gevecht om aandacht, om waardering en zinnigheid. Om ‘to be or not to be’. Om lekkere wijven. Hij krapte zich nog eens al vliegend aan de kop. Het heelal was groot, heel groot.

Hij had er genoeg van. Van die patat. Genoeg van vliegen tussen Texel en Febo. Hij ging Nu iets geks doen. Nu iets raars. Nu iets nieuws. Nu leven. Nu die stap nemen. De sleur doorbreken, de reis onderbreken en groots en meeslepend invullen. Nu. Links aanhouden naar IJsland? Rechts af naar een Deens eiland? Overdacht het. Groot universum, groot struikelblok. Keuzes. Liet de gedachte nog eens waaien. Klapperde nog eens met zijn vleugels. Snaterde en kakelde. Gelaten en euforisch. Vulde de ruimte boven Castricum met zijn gekrijs. Dropte er nog een paar. Want niets uitdagenders dan loslaten. Zwevend hoog in de oneindige ruimte. Boven Castricum.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!