Station

Het begon als een doodgewone, doordeweekse ochtend. Ik stond in alle vroegte op het station, samen met tientallen andere forensen en natuurlijk heel veel scholieren en studenten. Eigenlijk was het me te vroeg en te druk. Een beetje somber bande ik visioenen van overvolle treinen uit mijn hoofd – een zitplaats veroveren in deze overvolle spitstrein, die illusie had ik allang laten varen.

Toen viel mijn oog op een meneer iets verderop op het perron. Een oudere meneer. Pensioengerechtigde leeftijd. Van niet-Nederlandse komaf. Met een lege buggy. Hij viel erg uit de toon, zo ’s morgens vroeg op het station, tussen de forensen en de scholieren.

Nieuwe visioenen doemden op. Ontploffende wolkenkrabbers. Gecrashte vliegtuigen. Uiteengereten treinen. Ik had bovendien net een van de laatste boeken van Stephen King gelezen. Daarin had de slechterik van zijn rolstoel een rijdende bom gemaakt door in de buizen explosieven te verstoppen.

Waarom stond deze gepensioneerde buitenlandse meneer in alle vroegte met een lege kinderwagen op een druk station te wachten op de trein naar Amsterdam? Ik voelde me onbehagelijk. Wilde ik nog wel instappen straks?

Ondertussen arriveerde de trein en deed ik toch mijn best me strategisch vooraan bij de deur op te stellen. Het lukte, denk ik, zonder al te lomp te zijn. De buitenlandse meneer met de buggy stond opeens naast me, recht voor de deur.

Het werd nu echt gek: wilde hij met die lege buggy inderdaad mee met de trein? Moest ik iets doen? Maar wat dan? Mijn onbehagen groeide…

De treindeuren gingen open, maar instappen kon niet: in de deuropening stond een beeldschone jonge vrouw met in haar armen een aanbiddelijke, stralende peuter. Beiden waren duidelijk niet uit de Hollandse klei getrokken. Ze lachten allebei blij, maar niet naar mij. Naast mij stond opa, te stralen naar zijn kleindochter. Hij pakte haar aan en zette haar in de buggy. Zijn dochter zwaaide gedag en verdween weer in de trein. Ik kon instappen; de meneer bleef achter op het perron en had nog slechts oog voor zijn kleine hartendief in de buggy.

Het was zo’n lief moment. Ik schaamde me voor al mijn hersenspinsels, was boos op mezelf, dat al die beelden en woorden en demagogen kennelijk toch zo’n diepe indruk hadden gemaakt. Ze hadden een voedingsbodem gelegd voor een angst die ik niet eens bij mezelf had opgemerkt, redelijk en tolerant als ik mezelf vind.

Sterker was echter de blijdschap van opa en kleindochter en die deed ook iets met mij. Aanzienlijk opgewekter dan tien minuten daarvoor, stapte ik in de trein. De dag wachtte. Hij begon met een gouden zonnestraaltje. Dank u wel, oudere meneer met de lege buggy!

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!