Herinneringen

Toen ik klein was, reed ik eens op mijn driewieler een hellinkje naast een flatgebouw af. Het hellinkje leidde naar de bergingen onder het gebouw. Er was een deur in de rechtermuur, onderin, rechtuit was een blinde muur. Daar reed ik dus hard tegenaan. Het is lang geleden, maar ik weet het nog.

We gingen ook op vakantie in Zeeland toen ik klein was. Herinneringen daaraan zitten vooral in mijn neus. Als in het voorjaar het fluitenkruid bloeit in de zon en ik fiets erlangs, dan ben ik terug in de duinen van Zeeland, op weg naar het strand. Ook de combinatie van frituurlucht met zonnebrand brengt mij terug naar Zeeland. Het zijn luchtjes waar ik vrolijk van word, zonder dat ze concrete herinneringen oproepen.

Een tijdje terug viel mijn oog op een overlijdensadvertentie in de krant – een vriendin van vroeger. Vijfentwintig jaar niet gezien, helemaal uit elkaars leven.
‘Wie is dat?’
‘Iemand aan wie ik geen goede herinneringen heb.’
Er moeten ook goede herinneringen zijn, maar de slechte overheersen zo dat ik de goede moet beredeneren. Dat geeft geen goed gevoel. Ze is nu dood, we zien elkaar nooit meer – dit is het moment om de slechte herinneringen uit te bannen en de goede te koesteren. Het lukt me niet.

Afgelopen zomer viel ik van mijn fiets. Schaven, kneuzingen en een fikse hersenschudding waren het gevolg. Ik herinner mij niets van de val, van het halve uur ervoor en van de zeven uren erna. Dat is gek. Het voordeel is dat ik geen slechte herinneringen heb aan de val. Ondertussen fiets ik weer vrolijk rond. Maar ik wil toch weten wat er precies is gebeurd, wat er mis ging. Dat daarbij ook de herinnering van paniek, van pijn terugkomt, neem ik voor lief. Maar de kans dat deze lege plek in mijn hoofd nog wordt gevuld, lijkt nihil.

Aan het eind van de zomer ging onze poes dood. We hebben haar niet meteen begraven, moesten af en toe nog even naar haar kijken, haar zachtjes aaien. Je zag wel in een oogopslag dat ze dood was, ook al lag ze opgekruld zoals ze dat vaak deed. Ze was doodstil. Toen we haar begroeven, was ze niet meer warm. Ze was stijf, bleef bewegingloos opgekruld toen we haar voorzichtig optilden, ze was een ding geworden. We hebben haar zachtjes in haar grafje gelegd en er bloemen bij gezet. Sinds kort hebben we een nieuwe poes. Een jong, vrolijk katje dat enthousiast alles in zijn nieuwe huis aan het onderzoeken is. Als je hem optilt is hij veel lichter, kleiner en zachter dan onze oude poes. Maar zijn warme vacht brengt de herinnering aan haar terug.

Opeens bedenk ik dat die vriendin van vroeger ook dol was op katten.

Sprak dit verhaal je aan? Deel het op je Facebook en Twitter!