Bijlmer believers

Je hoort nog eens wat uit een ander universum, als je in contreien komt waar je normaal gesproken niet of nauwelijks komt. Als verwend dokterszoontje uit het witte reservaat dat ons dorp is al helemaal. En dan ben ik ook nog eens zo’n boze witte man, je weet wel, die denkt dat je altijd ‘een eigen keuze’ hebt. Dat geloof is de laatste tijd echter enigszins aan het wankelen gebracht. 

“Bijlmer believers” verder lezen

Vorst aan de grond

Gerrit had gezegd dat het kon gaan vriezen aan de grond. En als Gerrit zoiets zei dan klopte dat meestal wel. Gerrit had wat dat betreft eigenlijk alles mee. Hij had een uiterlijk waar pestkoppen en hun meelopers dol op zijn. Rood haar, sproeten en een vriendelijk wat bleek gezicht. Heldere ogen, het slanke lijf van een kamergeleerde en ruim bovengemiddeld intelligent. Laten dat nou juist eigenschappen zijn die hem op zijn huidige leeftijd zo’n betrouwbare uitstraling gaven. “Vorst aan de grond” verder lezen

Ontmoeting

Ik zag je net nog
In een houding, een gezicht
In een geur en in gedachten

Ik zag je net nog
En ook niet

Tijd verstrijkt en tijd verzacht
Tijd verwijd en tijd verdicht

Ik zag je net nog, in het licht
Jouw gezicht

Verloren liefde

Hij nodigde me uit om naast hem te komen zitten en verlegen ik gaf toe. We bezetten een eilandje helemaal vooraan in de klas, terwijl alle andere leerlingen zover mogelijk achterin waren gaan zitten. We hielden allebei van de Franse taal, we waren er goed in en toonden dat graag. Of Martijn in ieder geval. Hij praatte en praatte over de boeken die hij las, Radiguets ’Le diable au corps’ voorop. Dat was zo’n opwindend verhaal, joh! Over een jongen die een affaire met een volwassen getrouwde vrouw heeft, wow. Ik luisterde gedwee en knikte.

“Verloren liefde” verder lezen

Onvoorzien

‘Mijn man is autistisch.’

Ze kijkt me onderzoekend aan. Ik ken haar man niet. Heb hem wel eens gezien. Leek mij een prima kerel.

‘We zijn nu bijna dertig jaar bij elkaar. Hij is lief hoor en een betrokken vader, ik hoef maar te kikken en er hangt weer een fotolijstje, maar ik weet nog steeds niet of hij me echt begrijpt. Waarom vinden jullie mannen het zo moeilijk om je gevoel te laten zien?’

“Onvoorzien” verder lezen

Help! Mijn vriendin is schrijver

Het is woensdag en met een ferme tred stap ik goedgemutst de kantoortuin binnen.
‘Ha! woendag, columndag’ schreeuwen mijn bureau-eilandgenoten mij reeds toe. Ze doelen op de column van mijn vrouw. Op donderdag in een populair damestijdschrift met onder de toenemende vaste lezers ook mijn collega’s die inmiddels weten dat de column op woensdagmiddag al online komt. 

“Help! Mijn vriendin is schrijver” verder lezen

Na de val

Het glas stond er nog. Er was nauwelijks iets uit verdampt. Geen kalkkringen, zacht water. Ik rook eraan, zonder reden, gooide het leeg in de gootsteen en vulde het met vers water uit de kraan. De balpen en het pak A-vierpapier lagen ook nog op de eetkamertafel. “Na de val” verder lezen

Pierrot

Juist nu het lukt te een beetje te ontspannen zie ik het. Fietsen in het donker: ik probeer het te vermijden, maar in de winter ontkom ik er niet aan. De fotografiecursussen voor volwassen die ik geef zijn altijd ’s avonds. Dikke wolken maken deze dinsdagavond nog donkerder. Halverwege mijn derde ‘lage buik-ademhaling’ – een trucje van de psycholoog – zie ik iets oplichten op het donkere laantje. Ik trap door. Adem in… Is het een gezicht?! Stop jezelf iets in te beelden! …. Adem uit. Ik kijk naar mijn stuur en weer vooruit. Het is er nog. Een wit gezicht. Boven een pak. Wit. Ik klem mijn hand om de telefoon in mijn rechter jaszak en trap door. Vlakbij nu. Het is geen gezicht, het is een masker. Pierrot. Rode lippen, witte wangen met zwarte tranen. Hij draait zijn hoofd. Kijkt. Er is iets onmiskenbaar triests in zijn houding. Dat zit hem niet alleen de tranen. Het zijn zijn schouders, afhangend in de witte overall. Het is zijn slepende stap. Dan doe ik iets dat ik van mezelf nooit had verwacht. Ik rem en stap af. ‘Gaat het?’ 

“Pierrot” verder lezen

De fietstunnel

Hollen moest hij, hollen in de avond. Vijf dagen per week was hij overdag paraat voor de winst. De winst van het bedrijf waar hij werkte.

Donkere avonden in de wintermaanden. Het had ook zo zijn voordelen. Rennend in het donker door de weilanden waren zijn zintuigen extra scherp. Rennen was goed voor zijn ietwat onrustige kloppende hart, zo zei de dokter. Dus daar ging hij weer.

Het gras rook dieper in het duister en de vleugelslagen van een enorme onbekende vogel vibreerde merkwaardig vaak geluidloos voorbij. Het wanhopig geritsel van muisjes langs de kant op zoek naar iets te nassen. Scherp, vol en met focus voltrok zich de nacht aan hem via zijn neus en oren. Een beweging net half buiten zijn ooghoek.  Alsof, al rennend, een andere dimensie zich in zijn lijf open zette of op zijn minst aan zijn zintuigen klopte.

Fijn wel, maar tijdens zijn eenzame nachtruns speelden ook zijn aloude kinderangsten op. Onbenoembare geluiden, een rare flits, een nieuwe onverklaarbare geur.  “De fietstunnel” verder lezen